 |
| TORQUES SIND KEINE HANDTUCHHALTER |
Mittwoch, 17. 03. 2010 |
In der Physik, Drehmoment (oder oft als einen "Moment" bezeichnet). Kann man sich auch informell als "rotierende Kraft" oder "winklige Kraft" denken, deren Ursache eine Änderung der Rotationsbewegung ist. Diese Kraft ist definiert durch lineare Kraft multipliziert mit einem Radius.

Uit: Godenmacht / Krijgerskracht / Keltische gouddepots / L. Van Impe / m.m.v. G. Creemers, S. Scheers, R. Van Laere, H. Wouters, L. Maes / Publicatie naar van de tenoonstelling "Gogenmacht, Krijgerskracht" in het Gallo-Romeins Museum Tongeren van 1 mei tot 6 juli 1997.
Een halsring voor dames en heren van stand
Het zijn de Kelten op de overgang van de Hallstatt- naar de La Tene-periode die de Griekse schrijvers voor het eerste beschrijven. Terwijl men vroeger de Keltische cultuur als iets totaal nieuw zag, na een ondergang van de Hallstatt-cultuur, is men er sinds enige tijd van overtuigd dat de Hallstatt-lieden eigenlijk proto-Kelten zijn, d.w.z. hun culturele voorgangers. Zowel Hallstatt-lieden als La Tene-Kelten pronkten met hun rijkdom: goud speelde hier als statussymbool een grote rol. In de grafkamers uit de 7de en 6de eeuw v. Chr. werd goud gebruikt voor elementen van kledij en schoeisel, voor gebruiksvoorwerpen, voor wapenelementen en uiteraard voor sieraden. In deze grafensembles vindt men dikwijls een brede gouden halsring, gemaakt uit goudblik.
De zandstenen sculptuur van Hirschlanden (Eberdingen, Baden-Württemberg, D) stelt een rijzige figuur voor, getooid met hoed, buikriem, dolk en natuurlijk ook de halsring. Het beeld stond zeker op de top van een grafheuvel als grafsteen van de overledene. Het model voor de sculptuur is ontleend aan de bekende kouros-beelden uit het Griekenland van de 6de eeuw.
Hoewel op basis van de in het graf aanwezige statussymbolen - wapens, strijdwagen, drinkgerei, gouden sieraden - het steeds de man is die leidersschap belichaamt, zijn er langs de Midden-Rijn en in Boergondie enkele rijke graven van 'koninginnen' of 'prinsessen' bekend, zoals bv. te Vix (F) of Waldalgesheim (D). Waar wapens een typisch mannelijk attribuut zijn, is de gouden torques in het graf voor beide sexen 'het' symbool bij uitstek voor een hoge rang. Na ca. 450 v. Chr. wordt de halsring een typisch vrouwelijke dracht. De halsring wordt dan meestal in brons vervaardigd. De grafvondsten waar de vrouw gekleed en getooid met bronzen halsring en armbanden in het graf gelegd werd zijn amper te tellen. Vergelijkbare grafensembles komen in grote delen van Europa voor; toch zijn er regionale verschillen. In deze groep halsringen, die ook als torques aangeduid worden, ziet men een grote variatie aan vormen en versiering.
Om nog onbekende redenen verdwijnt de torques vanaf de 3de eeuw v. Chr. uit de graven en evolueert hij tot mannelijk attribuut. Misschien is dit nieuwe gebruik overgenomen uit het Nabije Oosten. Xenophon en Herodotos beschrijven de gouden halsring als insigne van vooraanstaande Perzen, Meden en Scythen. De gouden halsring wordt door deze schrijvers ook als attribuut van de 'Onsterfelijken', de koninklijke garde van de Perzische koning aanzien. Bij geschenken voor koningen van vreemde volkeren hoorde steevast een gouden halsring. Latere Romeinse schrijvers blijven de torques verbinden met vreemde exotische volkeren.
De antieke geschiedschrijvers maken in hun beschrijvingen van de Kelten of de Galliërs steevast melding van de dracht van de halsring of torques. De oude Grieken waren met de torques-dracht niet vertrouwd, maar kenden de dracht wel van bij andere volkeren. Zijzelf noemden het streptos en diegenen die een halsring droegen streptoforoi. De historicus Herodotos van Halicarnassos (°ca. 480 - na 430 v. Chr.), die grote delen van het oostelijke Middellandse Zeegebied, o.a. Egypte, Mesopotamië, en Scythië bereisd had, beschrijft meermaals dat de streptos bij Meden en Perzen een teken van hoge rang is. Zelfs de Perzische koninklijke garde, die uit de hoge landadel gerecruteerd werd, droeg hem. Xenophon (°ca. 430 - ca. 354 v. Chr.) beschrijft o.a. in de Anabasis en in de Kyropaideia dat de edelen aan het hof van koning Kyros gouden halsringen droegen. Zelfs de jonge koning zou van zijn grootvader een halsring gekregen hebben.
De gouden halsring was niet alleen kenteken van de Perzische hofadel, maar gold ook als diplomatiek geschenk. Koning Kambyses gaf iijn gezantschap bij een bezoek aan de Ethiopische koning een gouden halsring mee. Volgens Herodotos gaf koning Kyros aan de koning van de Kilikiërs een paard met gouden of met goud beslagen hoofdstel, gouden halsringen, armbanden en een Perzisch gewaad. Dat deze gegevens van de antieke auteurs juist zijn wordt aangetoond door de gebeeldhouwde afbeeldingen op de muren van het paleis van Persepolis, hoofdstad van het Achaemenidische Rijk. De trapwanden van de grote audiëntiehal, de zgn. Apadana, begonnen door Darius vanaf 521 v. Chr. en onder zijn opvolger Xerxes voltooid, zijn versierd met reliëfs die een grote processie voorstellen. Het is de beroemde Tribuut-processie, waarin delegaties van ondergeschikte volkeren de koning hulde brengen en hem geschenken overhandigen. De leiders van de delegaties van Meden, Perzen, Sogden en Ethiopiërs dragen een grote halsring die breed tot op de borst afhangt.
De halsring is ook bekend bij de Scythen, een uit de Centraal-Aziatische steppen weggetrokken volk dat vanaf de 8ste eeuw in Zuid-Rusland rond de Zwarte Zee de basis legde voor een rijke cultuur. Zowel met Perzen als Grieken raakten ze in conflict. Toch dreven ze met hen ook intensief handel. Het verschil tussen de Scythische en de Perzische of Medische torques ligt erin dat de Perzen de torques met de opening of sluiting in de nek droegen, terwijl bij de Scythen de opening in de ring op de borst gedragen werd. Gouden halsringen van de Scythen zijn meesterwerken van edelsmeedkunst, vooral wanneer men de figuurtjes, dierenkoppen en ruiterfiguren, bekijkt die op de uiteinden van de ring gemonteerd zijn.
In de huidige stand van het onderzoek lijkt het niet mogelijk vast te stellen of de gouden halsring oorspronkelijk in een Scythisch dan wel een Perzisch milieu ontstond. Wel is men het er over eens dat de halsring zijn oorsprong heeft bij vroege nomadenvolkeren die zich op de steppen van Zuid-Rusland, Zuid-Siberië en Centraal-Azië ophielden. De oudste voorbeelden van zulke torques zijn immers imitaties van een dik gevlochten touw, een motief dat in nomadische milieus thuishoort. Hetzelfde kan gezegd worden over de dierenkoppen die op de uiteinden van de halsringen afgebeeld worden: meestal gaat het om wilde dieren: leeuwen, tijgers, myhtologische dieren... Een aantal van deze dieren hoorden oorspronkelijk tot het biotoop van deze nomaden.
Een mooi voorbeeld van de torques-dracht kan men zien op het grote mozaiëk uit het Huis van de Faun in Pompëi, dat in het Museum te Napels bewaard wordt. Het mozaiëk stelt de overwinning van Alexander de Grote op de Perzen bij Issos voor (333 v.Chr.), maar is ongeveer 200 jaar later gemaakt. Men ziet er de Perzische koning omringd door zijn edelen: als teken van hun rang dragen zij grote gouden halsringen met dierenkoppen op de borst.
De torques als beschermend amulet
De bekendste voorstelling van de torques-dracht is deze van de zgn. Stervende Galliër van Pergamon. Het beeld stelt een naakte, gewonde en zieltogende krijger voor. Hij hoorde oorspronkelijk bij een beeldengroep, die in Pergamon door Attalos I (241-197 v. Chr.) werd opgericht ter herdenking van zijn overwinning op de Tolistobogii, een afdeling van de Galaten. Het beeld, door de enen als een orgineel, door anderen als een latere Romeinse copie beschouwd, wordt bewaard in het Museum van het Capitool te Rome. Het is een voorstelling van de naakte met halsring getooide krijger, zoals die strijdend in de voorste linies roemloos ten onder ging. De krijger draagt rond de hals een getorste halsring met op de keel 2 knoppen of knopen. Het getorste van de halsring herinnert aan het touw van de voorhistorische nomaden. Ook de knoppen of knopen hebben hier hun betekenis. Van oudsher is een halsring, zeker wanneer hij verbonden wordt met de begrippen 'binden' of 'knopen', een afweermiddel tegen ,kwade geesten en hekserij. Ook aan sommige metalen, zoals bijvoorbeeld het goud, of zelfs aan bepaalde kleuren werd zulke kracht toegeschreven. Men mag geredelijk aannemen dat de torques voor de Stervende Galliër een afwerende, beschermende en zelfs onsterfelijk makende symboliek had. Hoe bedrogen is hij niet uitgekomen?
Daartegenover staat de stoere indruk die de naakte, met een halsring getooide speerwerper of slingeraar maakt. Het kleine bronzen beeldje, waarschijnlijk gevonden in de buurt van Rome en op het einde van de 3de eeuw v. Chr. gedateerd, stelt een krijger voor die in 225 v. Chr. deelnam aan de veldslag bij Telamon (Etrurië). Sommige onderzoekers denken echter dat het een oorlogsgod voorstelt. Zoals Polybios en Titus Livius schrijven kwamen de Romeinen op het slagveld vaker onder de indruk van de jonge, goedgebouwde mannen uit de vijandelijke gelederen, vooral van deze met gouden halsringen op de voorste rijen. Het vooruitzicht op een mooie buit aan goud kon niet anders dan de Romeinse soldaten aansporen om tot het uiterste te gaan. Bij de Telamon-slag, waar een coalitie van Noord-Italische Kelten de nederlaag leed, zouden langs Keltische kant 40.000 doden en 10.000 krijgsgevangenen geweest zijn. Wat echter de grootste indruk maakte was de grote buit aan Gallische strijdwagens, veldtekens, bronzen vaatwerk, de grote hoeveelheid gouden torques en ruw goud. Livius vermeldt bij de buit niet minder dan 1471 gouden torques en 247 pond goud. Waarschijnlijk moeten wij deze getallen met een korreltje zout nemen en zijn ze eerder synoniem voor 'heel veel'. Telkens wanneer de Kelten als verliezers uit de strijd kwamen werden de buitgemaakte halsringen als typisch Gallisch aangeduid.
Zoals voor de kleine bronzen speerwerper worden Galliërs op de kroonlijst van een tempel uit de 2de eeuw v. Chr. bij Civitalba (omgeving Ancona, I) afgebeeld zoals ze door de antieke auteurs beschreven worden: naakt, bewapend en met torques. De plundering van het Griekse Delphi door de Kelten had de legende gevoed dat de goden tussenbeide gekomen waren om de heiligschenners te verjagen. Na een reeks conclicten tussen het opkomende Rome en groepen Kelten met hun bondgenoten in Noord Italië werd het thema van vluchtende en door goden opgejaagde Kelten een vanuit Rome politiek-ideologisch geïnspireerd bouwprogramma.
De torques als goddelijk attribuut
De torques was niet alleen attribuut van de krijger, het sieraad werd ook als offer aan de godheid opgedragen. Soms gebeurde dit om een gunst af te smeken of om de hogere krachten welwillend te stemmen. Zo beloofde Mox Ariovistus, koning van de Insubri, in 223/222 v. Chr. aan zijn oorlogsgod een torques: indien hij de overwinning op de Romeinen zou behalen beloofde hij de torques uit het op de vijanden buitgemaakte goud te laten maken. Het liep echter verkeerd af en het waren de Romeinen die goud aan de goden mochten offeren. Ook Catamandus, die met zijn legerbenden Massilia (Marseille) belegerde, kwam zo onder de indruk van de verschijning van de godin Minerva in zijn dromen, dat hij haar in de tempel als teken van verzoening met Massilia een gouden halsring opdroeg.
Hoewel hij niet over torques spreekt weet Caesar wel te vertellen dat de Galliërs hun oorlogsbuit met veel schroom op uitgekozen plaatsen verzamelden en bewaarden: hier was duidelijk heel wat goud bij.
De band tussen de torques en de godheid wordt zeer duidelijk aangetoond in artistieke realisaties. De mooiste ons bekende realisatie is het zilveren offerbekken van Gundestrup, in 1891 gevonden in een moeras in het noorden van Denemarken. Zowel de oor sprong, de datering en de manier waarop dit bekken in Denemarken belandde zijn controversiële onderwerpen: de vorm van het bekken, de thematiek van de versierde platen en de techniek van vervaardiging verraden een mengeling van Keltische en Thrakische invloeden. De meeste onderzoekers veronderstellen dat het bekken vervaardigd werd op het einde van de 2de/1de eeuw v. Chr. De meeste opgang maakt de hypothese dat het bekken een product van Trakische edelsmeden is. De Cimbren zouden het na hun razzia's doorheen Europa mee naar huis gebracht hebben. De buitenzijde van de versierde fries van de ketel draagt afbeeldingen van het Keltische pantheon. De binnenzijde toont scènes uit de onderwereld. Een centrale plaats wordt hier ingenomen door een figuur in Boeddha-houding. Hij heeft een hertengewei op het hoofd, een torques rond de hals en een tweede torques in de hand. Het hertengewei en de mythologische dieren die de figuur omgeven identificeren hem als de zgn. 'hertengod' of 'gehoornde god', die meestal met Cernunnos gelijkgesteld wordt. Als schemerdier staat het hert niet alleen symbool voor nacht en onderwereld, maar door zijn gedrag in de bronsttijd ook voor vruchtbaarheid. Een hertenoffer verzekerde eeuwig leven na de dood. Ook in zijn hoedanigheid van oorlogsgod legt Cernunnos de link naar de onderwereld. Gelijkaardige in brons uitgevoerde bekkens of ketels zijn ook bekend uit de Deense vindplaatsen Bra en Rynkeby. De Griekse geograaf Strabo vertelde dat de Cimbren op hun tochten een grote bronzen ketel meenamen. Deze speelde een rol bij gruwelijke mensenoffers. Later schrijft hij dat zij hun heiligste offerbekken aan keizer Augustus schonken als excuus voor een aanval die zij op zijn-troepen uitgevoerd hadden. Dat het bekken van Gundestrup juist in het thuisland van de Cimbren gevonden werd, maakt de band tussen de antieke tekst en de sacrale rol van het bekken nog sterker.
De zgn. Boeddha-houding, ook 'lotus-houding' genoemd, komt vaker voor, bijvoorbeeld bij het bronzen beeldje uit Bouray-surJuine. Het werd in 1842 bij baggerwerken ten zuiden van Parijs ontdekt. De gelijkenis met de voorstelling op de Gundestrupketel is treffend. Ook hier moet sprake zijn van een cultusbeeld. Stenen sculpturen van figuren met een halsring zijn bekend uit Euffigneix (Haute Marne, F), Paule (Camp du SaintSymphorien, Cotes d'Armor, F), Limoges, en bijvoorbeeld ook uit het antieke Alesia (Alise Sainte-Reine, Cotes d'Or, F). Meestal zijn de sculpturen gestiliseerd en vrij rudimentair afgewerkt. De massieve kop van het beeld uit Euffigneix rust op een korte hals, waarrond een massieve halsring. Dit 28 centimeter hoge, kalkstenen beeldje werd rond 1920 door een landbouwer op zijn akker gevonden. Oorspronkelijk zou het in een kuil gelegen hebben, samen met dierenbeenderen en ander afval of brokstukken, waarvan de aard niet bekend is. Een controle-opgraving op de vindplaats leverde geen nieuwe gegevens op. Het beeld heeft amandelvormige ogen, dikke wenkbrauwen, een brede neus, vierkante kin, fijn afgewerkte oren, haarlokken en een paardenstaart. Het heeft een eenvoudige romp waarop goddelijke attributen, waaronder het everzwijn, en ogen zijn afgebeeld. De figuur met de halsring zou de god Esus kunnen zijn, god van voorspoed, rijkdom en van oorlog. Het everzwijn is het symbool voor Teutates, de god die de stam zowel bijstaat in zijn krijgszuchtige als zijn vredelievende bezigheden. Het is één van de meest voorkomende symbolen: door zijn agressiviteit en ontembaarheid is het een symbool voor jacht en oorlog. Anderzijds getuigen afbeeldingen en geschreven bronnen van zijn aanwezigheid bij feesten in de onderwereld en bij offers. Vandaar zijn betekenis voor gastvrijheid en feest. Het oog op de zijkant kan symbool staan voor de alziendheid van de god, mogelijk Taranis, heerser van het firmament en oppergod, tegelijkertijd god in oorlog, het leven in het hiernamaals en voor de vooroudercultus. Mogelijk stelt het beeld op die manier een Keltische drie-eenheid voor. Benevens de halsring houdt de figuur uit Paule een citer of lier vast; het is een muziekinstrument dat in de oudheid vooral met Apollo verbonden wordt. De sculptuur uit Limoges neemt dan weer de bekende Boeddha-houding aan en houdt een zware massieve torques voor de borst. Het beeld uit Alesia bezit ondanks het realisme in de gelaatsuitdrukking en de torques-dracht geen bijzondere kenmerken. Meestal zijn zulke beelden geïsoleerde vondsten en ontbreekt elk gegeven over de omgeving of de context waarin ze gevonden werden. Alleen in Paule lijkt men een link te kunnen leggen tussen enkele sculpturen en een cultusplaats bij een aristocratische nederzetting.
Impressionant, bijna carnavalesk, is de gelaatsuitdrukking van het stenen hoofd van Msecké Zehrovice (omgeving van Praag, CZ). Stilistisch herinnert dit ronde hoofd met dikke neus, grote ogen, gestileerde wenkbrauwen, grote gekrulde snor en in brede dikke lokken achteruitgekamde haardos aan Keltische beeldhouwwerken uit de 5de of 4de eeuw v. Chr. Ook op de buitenfries van de Gundestrup-ketel ziet men zulke figuren afgebeeld. De vindplaats op een buitenhoek van één tempelomheining kan er op wijzen dat het hoofd ooit binnen de tempel een rol had. Opnieuw is de zware halsring een van de steeds weerkerende kenmerken.
In de vallei van Camonica in Noord-Italië, een schatkamer van prehistorische rotsgravures, ontdekte men de tekening van een figuur die eveneens als Cernunnos geïdentificeerd wordt. Het is een rijzige staande man, getooid met een lange tuniek. Hij draagt een hertengewei. Rond zijn in aanbidding opgestoken armen - zijn houding is practisch hetzelfde als de figuur op het bekken van Gundestrup - hangen grote torques.
In de Romeinse periode blijft niet alleen de godheid met het hertengewei gerespecteerd, maar worden- ook kleine torques als ex-voto's op bronzen godenbeeldjes opgehangen. Een mooi voorbeeld waar inheemse, Keltische en door de Romeinen ingevoerde godheden verenigd zijn is een reliëf uit Reims (F). De hertengod is er zittend op een bank voorgesteld met een zware torques om de hals en een grote beurs op de schoot. Hij strooit geld uit. Bij hem staan de stier en het hert, en op het fronton loopt de rat, symbool van dood en verderf. Links van hem staat Mercurius met gevleugelde hoed en beurs, rechts staat Apollo met de citer. Hier wordt blijkbaar een drie-eenheid voorgesteld, waarin Cernunnos via Mercurius ook de god van welvaart, overvloed en handel wordt. Via Apollo neemt hij een heilbrengende functie op. Van de romanisering van Keltische godheden, in bepaalde gevallen nog herkenbaar aan torques die soms aan het hertengewei opgehangen zijn, bestaan nog wel meer voorbeelden. Uit
Romeinse tempels zijn tenslotte bronzen godenbeeldjes bekend, waar de godheid nog de torques om de hals en/of een armband om de pols draagt: vaak zijn deze gouden miniatuursieraden als ex voto toegevoegd.
De torques als militair ereteken
Dat de verovering van een gouden torques bijna als een heldendaad erkend werd, illustreert Titus Livius ons aan de hand van het duel dat Titus Manlius Imperiosus in 391 v. Chr. met zijn Keltische tegenstander uitvocht. Nadat hij de tegenstander omvergeduwd en hem het hoofd afgehakt had, raapte Titus Manlius de bebloede torques op en tooide er zichzelf mee. Deze heldendaad maakte zulke indruk op de omstaanders dat het hem de bijnaam Torquatus, de geringde, opleverde. Deze bijnaam ging ook over op al zijn nakomelingen.
Waarschijnlijk ligt dit wapenfeit aan de oorsprong van het gebruik van de torques als militaire decoratie in de Romeinse Keizertijd. In het systeem van militaire eretekens - de 'dona militaria' - werd de torques, samen met armillae (armringen) en phalerae (sierschijven) verleend aan soldaten en lagere officieren, d.w.z. deze met een graad lager dan centurio. Niet alleen individuele soldaten, maar ook eenheden konden het ereteken krijgen: deze eenheid droeg het dan hoog in het vaandel. De militairen zelf droegen de decoratie niet om de hals. Ze bevestigden ze aan het borstpantser, zoals trouwens blijkt uit voorstellingen op grafmonumenten.
... aIs trofee voor sportverdienste.
Het gebruik van de torques als eremetaal kent in de Romeinse Keizertijd een meer algemeen gebruik. Zo verleende keizer Augustus een torques aan de overwinnaars in het Troja-spel, een wedstrijd met sacrale betekenis. Alexander Severus (208-235), keizer van 222 tot 235 schonk een gouden torques aan de reus Maximinus - later zelf keizer van 235 tot 238 - voor zijn verdiensten als worstelaar. En Sidonius Apollinaris (432-483), bisschop, politicus en auteur vermeldt dat in zijn tijd de torques nog toegekend werd aan overwinnaars van paardenrennen.
... en als diplomatiek geschenk
Wij hadden het al eerder over gouden sieraden bij het klassieke assortiment van diplomatieke geschenken, door de Perzische koningen aan vorsten van naburige volkeren aangeboden.
Ook de Romeinen hadden via de talrijke vijandige eontaeten met Keltisehe stammen al vlug de betekenis van het sieraad begrepen. De Romeinse Senaat speelde deze kennis dan ook meermaals tegen hen uit. Toen een gezantsehap van enkele stammen uit de Alpen zieh in 171 v. Chr. te Rome bekloeg over het sehandelijke optreden van een eonsul, gaf de Senaat hen voor hun koningen een waaier aan gesehenken mee: zilveren vaatwerk, wapens, kledij, een opgetuigd paard en 2 gouden torques. Een jaar later gebeurde hetzelfde toen koning Balanos vanuit de Alpen een gezantsehap naar de Senaat zond om zieh aan te bieden voor een militaire expeditie tegen Maeedonië.
Later nog verhaalt een sehrijver dat de bewoners van Gallia Cisalpina - d.i. het deel van Gallië ten zuiden van de Alpen - aan keizer Augustus een gouden torques van 100 pond als eregeschenk aanboden.





Dieser Torques ist aus Messing gefertigt und ist eine Nachbildung des Niederzier-Torques. Innen ist der Torques wie das Original hohl, hat auf der Unterseite einen Schlitz und ist durch lösen der Steckverbindung in einer einfachen Drehbewegung um den Hals zu legen. Hergestellt werden diese Torques heute von einer Goldschmiedin in B-Brüssel und sie sind ausschließlich über das Gallo Romeins Museum in B-Tongeren zu beziehen. Kostenpunkt: 250 Euro.

©2010 | Atuatuca | Si non è vero, è ben trovato!
|
|
|