Ereignisgeschichte  Atuatuca  Quellenkritik  Archaeologie  Infos  Keltenkerl 
Sitemap   Impressum
Bellum Gallicum   Kontakt
 

ATUATUCA Donnerstag, 11. 03. 2010



Goede Dag en hartelijk welkom

Hartmut Albrecht werd 1954 in het Rhijn-Maasland geboren, woont in D-Stolberg/ Rhld. De webside en haar essencieele inhoud zijn van hem. Opgrond van de verbondenheid met Atsch (een wijk in zijn geboortestad) en door werkzaamheden in de gemeente, kwam hij "Ambiorix” tegen, want deze buurt telt als mogelijke lokatie van het gefecht, dat door de romeinse auteur Caius Iulius Caesar in het 5. boek 24-38 van zijn "de bello gallico” is beschreven. Geen nieuwe meldingen over fondsten verwacht U: De intuitie is gericht op een samenvatting en analyse van de gegevens rond dit bericht.

Vriendelijk bedankt voor Uw interesse en veel plezier met deze paginas.

Met vriendelijke groeten

Hartmut Albrecht



Het opzoeken van de zuidwest-passage

Of opmerkingen over een opstand linksrheinse Eburonen tegen groepen van de Romein Caius Iulius Caesar, zoals het in het 5. boek van zijn "de bello gallico (24-38)” is beschreven:

Nadat Rome zijn tweede Britannie-feldtocht tijdens de herfst van 54 v. Chr. had afgesloten en acht legioenen in het winterkwartier in Noord-Gallien verdeeld had, verhefden sich enige belgische stammen tegen de invasoren. Door een aanval op het in het oosten gelegen leger, ATUATUCA genoemd, kreeg de bemanning een vernietigende neederlaag door de keltisch Eburonen.

Poging tot een interpretatie van de text van de b.g. V24-38:

Volgens het b.g. lag het winterleger van Sabinus/Cotta bij een gefestigde gallische plaats namens Atuatuca in het gebied van de Eburonen. Dit gebied word tussen Rhein en Maas gelegd.

De rivieren Maas en Rhein formen de kanten van een driehoek met de noordelijke punt in het mondingsdelta naar de noordzee, met de lange basis de Ardennen/Eifel in het zuiden. Deze, met een uitbreiding naar het westen tot over de Maas, is als stamgebied van de Eburonen aantenemen.

Bij een groote van 5000 soldaten van het legioen plus 5 cohorten (2500 man), plus officieren en ambtenaaren zijn tussen 8000 en 10000 man te tellen. Caesar maakt maar een keer sprake van de groote van het legioens: twee legioenen met 7000 man, op weg naar het leger van Cicero, wiens leger ongeveer een week na het Atuatuca –gefecht werd aangevallen. Zou deze de nominal-groote van een Caesar-legioen op dit tijdpunt aangeven, zo telden de 15 cohorten van Sabinus ongeveer 5500 man.

Het republikeins romijnse leger was door Marius nieuw georganiseerd. De legers hadden geen genormde formen, zoals Augustus het had doorgezet. Het leger van Caesar, zoals in Alesia bewezen, kon asymnetrisch aan het terrijn zijn aangepassd, maar had zoals alle romijnse leger twee wegen-hoofdassen en een poort aan die punten waar de assen de legerwall kruisden.

Het graven van een rond om het leger lopende gracht formde een wal van verschillende hoogde en breedte. Op de wal werd een palisade, bestaande uit hout en torens geplaatsd.

Een hoofdingang naar de licht afvallende vrije zijde maakde een taktisch gunstige ontvouding van hun vechtkunst mogelijk. Handelaren en inheemsen hielden sich aan de voorkant van de achter liggende poort op. De grootte van het Sabinus-leger is met ca. 400 m x 300 m aantenemen. Met een zeer hoge waarscheinlijkheid is de plaats van het castellum Atuatuca niet met die van het winterkwartier gelijk te zetten. Hiervoor was het Atuatuca te klein.

Winterkwartieren werden buiten de plaatsen aangeled en bleven er meerdere maanden. De verpleging van zo vele mensen vraagd om een goede logistie en goede ressourcen. Het legioen at van gedwongen leveringen van graanen en beesten door de eenheemse bevolking (Eburonen). Het jaargetijde van de beschreven gebeurtenissen was herfst en de oogst was binnengehaald.

De Romeinen hadden het menselijke potentieel uit de omgeving nodig voor arbeidsressourcen. Goed akkerland zou in de buurt te vinden zijn. Weiden voor de pparden en vrije vlakten zijn een vooruitzetting. Mogleijke bossen als brandhout-ressourcen verhogen de attraktiviteit van de plaats. De strategische ligging moest zo gekozen worden, dat snelle troepsbewegingen zonder grote moeite in verschillende hemelsrichtingen mogelijk waren.

Eburonen bezaten luit Caesar geen Oppida. De naam "Atuatuca” kann het lokaale begrip van een befestigde plaats betekenen, in de zin van "toe-vlucht”. De interpretatie zou verklaren, waarom de naam "Atuatuca” zo vaak in de antieke Euregio voorkomt (stam van de Atuatucer, Atuatuca tongrorum). Het noemen van de gallische festing als standoord van het Sabinus-kamp kan een "castellum” of "Atuatuca” in de groote van 2 ha zijn en niet de eigennaam van een gallische plaats, zoals die van Lugdunum.

Een aanwezig gallisch wegennet moet worden aangenomen, welk de romeinse troepen gebruikden bij hun inval. Het kamp is aan een strategisch gelangrijk kruispunt of een brug over een rivier te vermoeden. Daar konden de romeinen goederen en mensen beter kontrolleren. De romeinse voormars volgde met naame rivieren, die in het vijandelijke land stroomden.

De eburoonse bonden werden met een hoge wapen-standard gecofronteerd. Zij stonden de gedrillde romeinse militärmachine met hun betere wapens, discipline en stategie tegenover. Legioenaaren waren elitesodaten en hun opleiding was duur.

De eerste eburoonse aanval op het romeinse winterkamp in october 54 v. Chr. werd door de romeinse ruiterei teruggeslagen. Een leider, van alle Eburonen door raad en daad uitgetekende man, namens Ambriorix voerde bij de volgende verhandelingen met de Romeinen het woord. Op dit punt word de auteur van het " bello gallico” roman-achtiger, dit will zeggen, fantasievoller. Waarvan en van wie zijn de letterlijke gebeurtenissen van deze twee dagen uit 54 v. Chr., als dan toch bijna iedereen, die aan het gefecht deelnam, om het leven kwam? Julius Caesar kende het verloop der gebeurtenissen en het resultaat. Feit is, dat 15 cohorten in een dal, op een dag vernietigend werden verslagen.

October 54 v. Chr.

De gemiddelde prestatie van een dagmars van een legioen bedroeg ongeveer 20 tot 25 km. Onder gefechtsomstandigheden werden tot en met 40 km teruggelegd. Het legioen van Sabinus wilde binnen 2 dagmarsen naar het volgende kamp en starte bij beginnend daglicht (moderne tijd voor de 24.10: 0700 h).

Romeinse strijdverbonden ontvouden hun grootste vechtkracht op een open en vrij terrein met de mogelijkheid tot een massive inzet van de cohorten. Een cohrte formde een eenheid van ongeveer 500 gewapende mannen. Meerdere cohorten formden tijdens het gevecht, afhankelijk van omstanigheden en vechtkracht verschillend gestaffelde rijen.

De marsorde van de vertrekkende Sabinus werd gevormd uit een voorhoed, bestaande uit ruiters, pionieren en lichte infanterie, het legioen, de tross en de achterhoed. De lengte van de stoet word met "zeer lang” aangegeven; mogelijk is een flankendekking, maar helaas niet beschreven, evenmin is niets geschreven over de gebruikelijke manier van gijzelname aan de romeinse kant.

Keuze van het terrein

De romeinse stoet in richting noord/noordoost, oost/zuidoost was niet zinvoll en is alsmede uit te sluiten. Een weg naar zuid/zuidwest en west is aan te nemen. In deze richting bevonden zich de verbindingskampen van Cicero en Labienus. De eenheemse Eburonen bezaten een erg goede kennis van het te verwachtende vechtterrijn. Het plaatsen van eburoonse vechtsverbonden aan de aan te nemen marsrichting, die zij voor het vertrek van de romeinen enkel konden raden, was een waagenis. De auteur van het B.G. vermeld met geen enkel aanzet welk van de twee kampen het doel van de mars was. Ieder zal zeggen: Cicero! Er bestaat tot 50% de realiteit, dat het Labienus was!

De marsrichting van de romeinen moet zo eenduidig zijn geweest, dat maar een bepaalde weg dwingend was, aan het begin voor beide marsdoelen gelijktijdig. Het tijdpunt van de aanval moest zo snel mogelijk gebeuren. Zouden de romeinen in een andere richting dan die van de Eburonen vermoede trekken, dan zouden de eburoonse gefechtsverbonden niet flexibel genoeg op de nieuwe situtatie kunnen reageeren.

Lengte van de stoet

Bij de mars word discipline gevraagd, want anders stockt of hindert hij zich zelf. Caesar gebruikde voor het transport van de baggage van zijn leger uitsluitend ezels en geen wagens. Dit maakte de legioenen mobiler en onafhankelijker in moeilijk en onbekend terrein. Het geluidsscherm moet hoog zijn geweest. In het folgende voorbeeld word aangenomen, dat de stoet rechtuit verliep, dus rechtstreeks van punt a naar punt b. Dit heeft geen invloed op zijn lengte, maar het bepaald de afstand van het gefecht tot het kamp. De Romeinen trekken na een mars van 3 km van een hoger in een lager terrijn, in een dal. De gemiddelde marssnelheid per uur ligt bij 4-5 km. Vertrek was 0700 h huidig tijd.

De lengte van de infanterie met een meter afstand in het lid =
5500 man infanterie in drie leden 1800 m,
5500 man infanterie in twee leden 2700 m.

7500 man infanterie in drie leden 2500 m,
7500 man infanterie in twee leden 3750 m.

Voor de tros kan 1/3 van de infanterielengte worden aangenomen, plus officieren/paarden/train ongeveer de helft van de infanterielengte.

5500 man infanterie/tros in drie leden 2400 m,
5500 man infanterie/tros in twee leden 4000 m.

7500 man infanterie/tros in drie leden 3750 m,
7500 man infanterie/tros in twee leden 5625 m.

Een gemiddelde van min. 4 km, hoogstens 6km stoetlengte is aan te nemen.

Tijdpunt van de aanval

Bij een aangenomen lengte van 4 km en een marstempo van 5 km/h befond zich de stoet na
1 uur met de kop 7 km van het kamp vandaan, de achterhoede 3 km van het kamp.

Bij een aangenomen lengte van 6 km en een marstempo van 5 km/h bevond zich de stoet na
1 uur met de kop 9 km van het kamp vandaan, de achterhoede 3 km van het kamp.

De aanval van de Eburonen begon ongeveer tussen 0800 h en 0900 h. Duur van het gefecht tot het achtste uur, ongeveer 6 tot 7 uur.

Het gevecht

Aangenomen, de Eburonen hebben hun manschappen gelijkmatig aan de flanken van de romeinse stoet gepositioneerd. Bij 4 km lengte van het dal is de voorspellende gefechtsfront op beide flanken 8 km lang. Dat is niet realistisch. De kompleete stoet trok door een eng dal en had graveerede taktische nadelen tegenover potentieele aanvallers. Voordeel van de Eborunen was de keuze van het terrijn en de verassende aanval. De Eburonen lieten de Romeinen gewoon in de val lopen en grepen de knooppunten (voorhoed, het eerste derde, achterhoed) aan. Door de stilstand persde het middel naar voren, gedreven door de aankomende vijand. Door de slechte struktur van het terrein bestond er voor het legioen geen mogelijkheid tot opbouw van een cohorten-veldslagformatie. De romeinse situatie verslechterde toenemends, toen delen van de infanterie naar de (achterwaardse) tros kwamen om hun goederen te beveiligen. Aangezien de romeinen van de eburoonse aanval verrasd waren, is aan te nemen, dat de stoet geen of te weinig flankendekking bezat. De bodem van het dal moet zo smal en zijn helling zo steil zijn geweest, dat geen effective dekking mogelijk was.

De infanterie marcheerde in volle uitrusting (ca. 30 kg) en was van hun normale baggage bevrijd. Sabinus willde in twee dagen ongeveer 80 km halen; een dagmars van 40 km. Acht uur lang marcheren met 5 km/h per dag, twee dagen achter elkaar, aan het einde van de eerste dag moest nog een kamp worden opgebouwd. Op grond van het hektische vertrek waren waardevolle tegenstanden van de invanteristen in de tros. Hier bevonden zich hun enige persoonlijke goederen, het doel van de beginnende desertie tijdens de aanval. Uitbrekende paniek was het gevolg.

De Romeinen formden, onder opgave van hun baggage, een kring, van waaruit enkele cohorten uitbraken en de Eburonen schade toevoeden. De gallische leiding liet aan de front doorgeven, de romeinse baggage ongedeckt te laten en uit de verte te vechten. Deze tactiek had volgend voordeel: de Eburonen konden meer geweld op het hoofdveld richten.

Eerst als een cohorte een voorstoot waagde, in de leegde voordrong en terugkeerde, moesten de Eburonen folgen en de man attakeeren. Deze tactiek ging op.

De gefechten en het hoofdgefecht zouden zich op het voorderste deel van de stoet hebben geconcentreerd. Bij een aangenomen stoetlengte van 4 km zou het gefechtsgebied ongeveer 6 km van het kamp verdwijnt gelegen hebben.

Een bijzonderheid van de eburoonse vechtkunst is op te noemen: er werden stenen gegooid. Op de lengte van het gefecht gezien zou de steenconcentratie in verschillende hoeveelheden ter plaats te vinden zijn en in de uitlopers van het slachtveld. Deze "normale” stenen zullen de romeinen niet terug hebben geworpen, zij hadden andere dingen te doen. En niemand zal de stenen na het gevecht weer in hebben gezameld. Een terrijn van ongeveer 250x250m.

De poging tot kapitulatie van de romeinse leiders van het legioen leide tot de dood van de parlamentaren. Als gevolg werden 15 romeinse cohorten bijna vernietigend geslagen. Een overlevende rest trok zich terug en pleegde zelfmoord in het romeinse kamp.

Als bij een gefecht zoals deze een tegenstander de vijandelijke linie doorbreekt, is het gefecht besloten. Paniek, demoralisatie en vlucht zijn het gefolg. Er ontstaan hoge verliezen door het doden van de gewonden en de vluchtenden.

De romeinse lijken

Op het slachtveld en in het romeinse kamp werd enorm geplundert. Wat er over het jaar bleef liggen waren botten, kleine ijzerwaren, metaal en in de bodem belande stenen van elke form. Wapens en uitrusting mag men niet meer vermoeden. Toen Caesar een jaar later aan de plek van het gefecht kwam, zal hij de gevonden stoffelijke overschotten van zijn soldaten een eerbaare behandeling hebben toegestaan. Dit was hij de doden en zijn soldaten schuldig.

Een toendertijd van pas komende begravenis-zeremonie was de crematie. Mogelijke sporen van as, die nog bottenresten bevatte, kunnen een hint zijn. Het kultureele horizon van eburoonse fondsten in het Rheinland breekt 50 v. Chr. af: in D-Düren/Winden, in D-Niederzier/Hambach en in D-Euskirchen/Kreuzweingarten. De eburoonse stam als politische en ethnische groepering bestond niet meer.

Samenvatting

Er moet in de Euregio een plaats bestaan, die aan de b.v. punten voldoet; waar overblijfselen van de gebeurtenissen op de grond liggen. Het moet mogelijk zijn, zonder toevalsfondsten, alleen op grond van gegevens uit het boek "bello gallico”, goede kennissen van de linksrheinse fondsten en goede plaatskennissen, de plek te lokaliseeren en te vinden. Rekening houdend met de beschrijving van het terrein en de gegevens betreffende de afstand van de bello gallico kan een frame worden geformd: geographisch middelpunt van het gebied waar de Eburonen leefden is ongeveer D-Düren/Jülich en ligt 300 km van F-Amiens (Samarobriva) vandaan.

De gallische plaats Atuatuca, het romeinse kamp van Sabinus/Cotta en de plaats van het gefecht tussen Eburonen en Romeinen zijn in een terrein van 6 x 6 km doorsnede te zoeken.

Daar befinden zich:
1) een vrije vlakte (het kamp)
2) een gallische festing (het Atuatuca)
3) een dal (daarin het gefecht in 6 km afstand van het kamp in rechte lijn gemeten, in 3 km afstand van het kamp een afdaaling)

Het castellum, dat Caear opnoemt, kan het punt tot finding van de veldslag van Atuatuca zijn. In zijn buurt befinden zich het romeinse kamp en een dal als plaats van het gevecht.

Mogelijke foute beoordeelingen:

De blijkbare naiiviteit van de Romeinen, bei Atuatuca in bijna alle taktische beslissingen ten gunste van de Galliers te reageeren. (Verantwoordelijk was de Feldherr en de auteur)

De afstandsbepalingen naar de kampen: deze cijfers, uitgaand van het midden van het Rheinland, zijn moeilijk in eenklang te brengen met de geographische gegevens van "de bello gallico”. Kamp L (90 km) ligt bij B-Bastogne en kamp C (75 km) bij B-St.Truiden.

De uiteindelijke, niet eenduidige sterkte van het legioen, respektieve de daaruit resulteerende lengte van de stoet.

Het niet existeeren van een gallische festing bij D-Jülich.

Geen romeins-caesarise vondsten in het betroffen gebied.

De eklatante wil van de Webmaster om te wensen; te geloven, wat hij wenst.

Enkel bewijzen tellen: dateerbaare romeinse munten uit de jaren voor 54 v. Chr., romeinse en gallische wapens (fragmenten), dateerbare botten- en houtskoolresten, de wal van de gallische festing, dateerbare fondsten van de graven van het romeinse winterkamp.

Laatste opmerking

Meneer Ambiorix en de Eburonen, die door omzichtigheid, taktisch vermogen en goede timing de romeinse invasoren een gevoelige nederlaag toevoegden, waren tegenover hun tegenstander absolut van gelijke stand en zij schreven in deze twee dagen geschiedenis.

Onttrekt men zich van de suggestie, zal men inzien, dat er bij de romeinse legersvoering verkeerde beslissingen werden genomen en fouten werden gemaakt:

1. de te ver uitelkaar liggende winterkampen

2. de organisatie van de nieuwsberichten, zodat noch de voorgeschoven legaten ondermekaar en naar Caesar toe, noch Caesar naar de legaten toe, de nodige verbinding had, die nodig geweest was om op tijd te ervaren wat belangrijk had kunnen zijn

3. het versluieren van de verantwoording voor de nederlaag van Atuatuca door de veldheer zelf

Het vinden van de plaats van het gevecht, dat 2059 jaren geleden met de duur van 6 uur plaatsvond, is niet eenvoudig, het is een klus: deze word bestreden door officieele spezialisten die in een team zamenwerken, archeologen, geologen en biologen en mischien het militär. Dan komen wij de lokalisatie waarscheinlijk dichterbij.

Al in al word het moeilijk voor een diagnose. Maar Rome werd ook niet binnen een dag gebouwd. Ontdekken wij de langzaamheid, dan Atuatuca.



AMBIORIX 1866 – 1966

Bundel studies gewijd aan de problemen rond Ambiorix en zijn standbeeld te Tongeren

TONGEREN

Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap -1966 -

DE HISTORISCHE FIGUUR AMBIORIX

De figuur van Ambiorix en de rol de hij heeft gespeeld tijdens de verovering van Gallië, in historisch opzicht belichten, zal steeds een kiese taak blijven. De bronnen die ons ter beschikking staan, zijn uiteraard zeer beperkt, maar bovendien eenzijdig en niet zonder vooringenomenheid.

Daar waar voor een figuur als Vercingetorix de bodem een reeks van tastbare bewijzen van de strijd rond Alesia en elders heeft overgeleverd — grafschriften en munten, investeringswerken, wolfskuilen enz. — ontbreekt elke archeologische aanwijzing voor Ambiorix.

Geen spoor in de grond herinnert aan hem en ondanks alle academische en andere bevestigingen blijft de localisatie van het Atuatuca van Caesar (1) en daarmee samenhangend, van het keteldal waar de vijftien cohorten werden uitgeroeid, een onopgelost probleem. We beschikken alleen over geschreven bronnen (2), hoofdzakelijk over de uitvoerige teksten van Caesar, die de gebeurtenissen zelf van anderen heeft moeten vernemen en wiens historische betrouwbaarheid zeer verschillend beoordeeld wordt (3). Maar ook wanneer we — ietwat naïef — Caesar volledig vertrouwen, blijft de figuur van Ambiorix in een waas van geheimzinnigheid gehuld. Hij is ongetwijfeld de vijand dien Caesar het felst heeft gehaat in zijn leven en toch kunnen we slechts enkele dagen van zijn bestaan reconstrueren. Hij verdwijnt in de nevelen en de wouden der Ardennen even plots en totaal als hij naar voren was getreden.

Tot de noodlottige herfst van het jaar 54 voor C. spelen de Eburonen, «de lieden van de taxus-boom», te oordelen althans naar de schaarse gegevens uit Caesars Commentarii, slechts een zeer ondergeschikte rol.

Toen de stammen ten Noorden van de Seine - Marne lijn tijdens de winter die volgde op de nederlagen van de Helvetiërs en van de Germanen - aanvoerder Ariovistus, contact met elkaar opnamen en geheime verbonden sloten om Caesars veroveringen te stuiten, beloofden de Eburonen, samen met de Condrusi, Caerosi en Paemani een contingent van 40.000 manschappen (4). Van het grote bondsleger dat 296.000 krijgers zou tellen, kwam door het snelle optreden van Caesar niets terecht.

Na de mislukking van de Aisne geven de Suessiones, Bellovaci en Ambiani zich over; de Nervii, Viromandui en Atrebates worden verslagen bij de Sabis — ongetwijfeld te identificeren met de Selle (5) en niet met de Samber — en kort daarop wordt de versterking der Atuatuci, wschl. te Hastedon bij Namen, door Caesar ingenomen en worden de bewoners als slaven verkocht. Nergens is hier sprake van de Eburonen. In zijn toespraak vermeldt Ambiorix echter dat zijn volk gedurende zekere tijd schatplichtig was aan de Atuatuci en als onderpand gijzelaars had moeten stellen, onder wie zijn zoon en zijn neef (6). Mogelijk dient de plaatsnaam Atuatuca daarom begrepen als een «versterking der Atuatuci» om toezicht uit te oefenen over de schatplichtige stam.

De nederlaag der Atuatuci betekende dus voor de Eburonen de bevrijding van een zware schatting en de teruggave van de gijzelaars. Voor zover wij kunnen oordelen, brachten dus de eerste jaren der Romeinse overheersing voor hen een verbetering in hun status, zonder hen tot tegenprestaties te verplichten. De reden hiervoor is niet te zoeken in Caesars veel geprezen clementia en misericordia, maar wel in hun strategische ligging, als dam nl. tegenover de opdringende Overrijnse Germanen (7).

Om een of andere reden schijnen ze vervolgens toenadering te hebben gezocht tot de Treveren of waren in de invloedssfeer van deze machtige stam gekomen (8). Van 57 tot de herfst van 54 hebben ze zich alleszins niet aan anti-Romeinse gedragingen schuldig gemaakt. Ze onderhielden integendeel regelmatige contacten met Caesar, wiens afgezant Q. Iunius, een Spanjaard, die blijkbaar de Keltische taal machtig was, regelmatig Ambiorix bezocht (9).

Twee «koningen» regeerden over de Eburonen, Ambiorix, «de rijke koning» (10) en de oudere Catuvolcus «snel in de strijd», blijkens de teksten elk over een der twee gouwen (pagus) (11). Welke hun onderlinge verhouding was en hoe een gezamenlijk optreden van de twee pagi geregeld werd, weten we niet. In de geschiedenis van de opstand neemt Ambiorix het initiatief, terwijl Catuvolcus hem — volgens Caesar althans — schoorvoetend involgt (12).

Waarschijnlijk bestond er bij de Eburonen evenals in alle andere stammen een anti-Romeinse partij, maar wegens de genoten voordelen kon ze moeilijk naar buiten treden. De contacten die Ambiorix ongetwijfeld met de anti-Romeinse Treveren-koning Indutiomarus onderhield, waren derhalve strikt geheim gebleven: daarom ook had Caesar het bestaande dubbele koningdom erkend.

De zomer van het jaar 54 betekent voor Caesar een keerpunt in zijn verovering van Gallië. Hij had gehoopt in enkele jaren Gallië, Aquitanië, België, een deel van Germaniaë en Brittannië te veroveren (13). De komende gebeurtenissen zouden bewijzen dat de vernietiging van enkele stammen nog niet de volledige onderwerping van zo'n onmetelijk land betekende. De Galliërs beschouwden de Romeinse overheersing niet als een onontkoombaar noodlot en vele vooraanstaanden waren er zich van bewust dat deze overheersing slechts bestendigd werd door de bereidwillige medewerking van de Romeins-gezinde partij binnen elke stam. De politieke verhoudingen waren overal verschillend — hier monarchie, daar oligarchie — en wrijvingen en verwikkelingen waren onvermijdelijk. Daarbij was door Caesars optreden de onderlinge rivaliteit tussen de stammen in aanzienlijke mate verdwenen: Rome eiste immers de hegemonie voor zichzelf op ... en dat met een leger van maximum vijftigduizend Romeinse soldaten en enkele hulptroepen. Hiertegen en tegen de bestendige plunderingen (14) kwam de nationale trots in opstand en correlatief hiermee rijpte ook het inzicht over de begane fouten.

Grote veldslagen in open veld geleverd door afzonderlijke stammen, konden niet baten: de nederlagen van de Helvetiërs (58), van Ariovistus (58), van de Nerviërs (57), van de Veneten (56) en zo vele anderen bewezen het ijdele van elke afzonderlijke poging tot weerstand. Zo rijpte langzaam het plan van een algemene opstand en wachtte men nog slechts op de gunstige omstandigheden.

Het vierde oorlogsjaar (55) was voor Caesar een jaar van machtsdemonstraties en bluf geweest (15): de meinedige afslachting van de twee Germaanse stammen, de brug en de tocht over de Rijn — zijn ingenieurs behaalden hier meer succes dan Caesar zelf —, de eerste overvaart naar Brittannië.

Het volgend jaar (54) bewees hij dat deze eerste overvaart slechts een grootse verkenning was geweest. Einde mei inspecteerde hij te Portus Itius, waarschijnlijk te identificeren met Boulogne (16), de vloot die op zijn bevel tijdens de winter gebouwd was. Vooraleer in te schepen deed hij nog een inval met vier legioenen en 800 ruiters in het land van de Treveren. Zijn snel optreden volstond om de rust — ogenschijnlijk althans — in dit gebied te herstellen en een schijnbare verzoening tot stand te brengen tussen de oudere Indutiomarus — een onverzoenlijke vijand van Rome van de oude stempel — en zijn Romeins-gezinde schoonzoon Cingetorix (17).

Terug te Portus Itius, waar hij zou inschepen, moest hij het hoofd bieden aan nieuwe moeilijkheden. Veiligheidshalve had hij een groot aantal Gallische vooraanstaanden als gijzelaars daarheen ontboden. Onder hen nu was, vooral op aanstoken van de Rome-vijandige Haeduer Dumnorix, een opstandige beweging ontstaan. Op het ogenblik van vertrek — een D-day in omgekeerde richting — vertraagd door aanhoudend ongunstige winden, maakte Dumnorix rechtsomkeer en poogde te vluchten. Hij werd echter onmiddellijk nagezet en in een gevecht gedood (18). Schijnbare kalmte en berusting verborgen van dat ogenblik af nog scherpere wrok.

De tweede groots opgezette expeditie naar Brittannië had te Rome grote verwachtingen doen rijzen (19), die achteraf ijdel bleken (20). Bij zijn terugkeer heeft Caesar ongetwijfeld de spanningen aangevoeld die in Gallië heersten: wellicht was het juist daarom, dat hij zijn terugkeer uit Brittannië had bespoedigd en zulke gematigde eisen had gesteld aan Cassivellaunus. De Winter stond thans voor de deur en allerlei alarmerende geruchten bereikten Caesar. Ook siecht nieuws uit Rome. Want toen hij voet aan wal zette «vond hij brieven die men juist van plan was naar hem over te zenden. Ze behelsden de tijding van de 'dood van zijn dochter, de echtgenote van Pompeius» (21). De dood van deze jonge vrouw was veel meer dan een gewoon familiegebeuren: het was een politiek feit, dat uiteindelijk zoals Seneca (22) en Lucanus (23) reeds hebben opgemerkt, de ondergang van de republiek voor gevolg had. Want beide mannen, vader zowel als de oudere schoonzoon, verloren hierdoor de enéige band die hen nog samenhield (24).

Meer dan ooit scheen het Caesar een dringende noodzaak de winter in Noord-Italië door te brengen, om de gebeurtenissen in de Urbs van dichtbij te kunnen volgen en te controleren. Om zeker te spelen in Noord en Centraal Gallië besloot hij zijn legioenen over een uitgestrekt grondgebied te spreiden in goed versterkte winterkwartieren, in de hoop aldus elke poging tot opstand onmiddellijk in de kiem te smoren. Zelf wijt hij in zijn Commentarii deze spreiding, die hem na de gebeurtenissen als tactische fout en vooral als een gebrek aan politiek inzicht kon worden aangerekend, aan voedselschaarste ten gevolge van langdurige droogte (25). Deze verklaring is als rechtvaardiging post factum ingelast. In geval van werkelijke moeilijkheden bij de bevoorrading was het immers aangewezen de winterkwartieren meer naar het Zuiden te verleggen in de rijke graanstreek van Seine en Marne; anderzijds blijkt uit Caesars aantekeningen zelf dat de inscheping te Portus Itius vijfentwintig dagen vertraagd werd door de NW.-wind, die in onze streken bijna steeds met regen gepaard gaat, zodat de «siccitates» wel niet zo noodlottig geweest zijn (26). Caesar had echter gehoopt dat een machtsdemonstratie — een winterkamp in of op de grens van elk verdacht gebied-voldoende zou zijn om de rust te handhaven. Hij rekende daarbij te veel en op zijn prestige, dat ondanks de bluf der laatste twee jaren enkele deuken vertoonde, én op de verdeeldheid der Galliërs, waaraan zijn optreden zelf in zekere zin paal en perk gesteld had.

Op de algemene landdag te Amiens maakte Caesar zijn plannen voor de winterkwartieren bekend: C. Fabius zou met het tiende legioen overwinteren bij de Morinen, die in 56 en 55, telkens in de herfst, wanneer hun gebied door de regens minder toegankelijk werd, moeilijkheden hadden berokkend (27). Q. Cicero, de jongere broer van de redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero, kreeg het elfde legioen toegewezen met standplaats in het gebied van de Nerviërs (28). Het dertiende zou de winter doorbrengen in Normandië bij de Esuvii (dép. de l'Orne ) onder de leiding van L. Roscius.

T. Labienus, Caesars beste onderbevelhebber werd eens te meer met de bewaking van de lastige Treveren belast van wie Caesar moeilijkheden verwachtte. Zijn winterkwartier bevond zich op de grens van Remen en Treveren (29). Drie legaten moesten hun winterkwartier bij de Belgae in de enge betekenis vestigen: M. Crassus bij de Bellovaci, op ca. 40 Km. van het hoofdkwartier te Samarobriva (Amiens) (30), L. Munatius Plancus wellicht in de buurt van Soissons (31) en C. Trebonius te Samarobriva zelf. Een legioen en half of vijftien cohorten (32) moesten onder de leiding van Quintus Titurius Sabinus en Lucius Aurunculeius Cotta de lange weg naar Atuatuca, de vesting der Eburonen ondernemen.

Het legioen waarvan sprake is het XIVe. Caesar wil het steeds laten voorkomen als zou dit legioen uit nog onervaren soldaten bestaan, vandaar de toevoeging «quam proxime trans Padum conscripserat» (33): zo wil hij bij voorbaat de later optredende paniek verklaren.

De meeste moderne auteurs praten hier Caesar kritiekloos na, o.i. ten onrechte. Ook al is het zó, dat dit legioen vaak met bewakingsopdrachten werd belast, dan stond het toch reeds meer dan drie jaar te velde en mag voorzeker niet gedoodverfd worden als een legioen van recruten. Dit excuus samen met dat van de zwakke en onervaren bevelhebber, is al te gek. Het winterkwartier van Atuatuca was de verst vooruitgeschoven voorpost om o.a. én de Rijn én de Treveren te controleren en Caesar zou deze opdracht aan een onervaren leider en een onervaren legioen hebben toevertrouwd !

Totnogtoe had Caesar de Eburonen gespaard; ze waren zelfs de enige stam uit onze gewesten, die bij het nieuwe regime baat had gevonden. Nu krijgen ze plots de last te dragen van een zeer zwaar winterkamp: met de Spaanse ruiterij, de hulptroepen, trosknechten en tutti quanti mag men de totale kampbezetting op ca. 11.000 mannen schatten. De heersende moeilijkheden van ravitaillering inroepen om de vestiging van dit kamp te verklaren, gaat niet op. Rijk aan graan was hun land niet, wel aan wouden, venen en moerassen. De redenen waren politiek en strategisch: controle vanuit het Noorden op de Treveren, tevens controle op de Menapiërs en op de Eburonen zelf, van wie Caesar, zeker tot zijn grote ontstemming, had vernomen dat ze onder invloed van de Treveren en vooral van Indutiomarus gekomen waren. Verder hoopte Caesar dat dit kamp in staat zou zijn de Ubiërs (34) en andere Rijnvolkeren desgevallend in bedwang te houden.

De leiding van het winterkwartier berustte bij twee legaten Quintus Titurius Sabinus en Lucius Aurunculeius Cotta. De eerstgenoemde speelt in de Gallische oorlog een niet onbelangrijke rol.

In 57 wordt hij door Caesar belast met de bewaking van het bruggehoofd aan de Aisne te Berry-au-Bac (35). In 56 onderwerpt hij de Venellen op het schiereiland Cotentin (Normandië ), die onder de leiding van Viridovix zijn kamp aanvallen. Wel verwijt Caesar hem een zekere karakterloosheid en gebrek aan initiatief omdat hij het niet tot een veldslag durfde laten komen «praesertim eo absente qui summam imperii teneret». Door vrees te veinzen en de mare van een overhaast vertrek bij de vijand te laten verspreiden, weet hij de Venellen, die ordeloos en zegezeker naar zijn kamp oprukken, op de vlucht te drijven (36). In 55 wordt hij samen met Cotta belast met een expeditie tegen de Menapiërs en Morinen, die slechts gedeeltelijk slaagt (37). De feiten bewijzen dat Caesar hem als een goed aanvoerder beschouwde: tegen de Venellen beschikte hij over drie legioenen en in 54 kreeg hij de leiding over het meest excentrisch gelegen winterkwartier bij een stam die met de Treveren contacten onderhield (38).

Lucius Aurunculeius Cotta ontmoeten we voor het eerst als legaat van Caesar tijdens het tweede oorlogsjaar. Samen met Quintus Pedius, Caesars neef, voert hij de ruiterij aan die de achtervolging der Belgen inzet na de debâcle van de Aisne-overtocht. Zijn taak was zeer eenvoudig en het succes algemeen (39). In 55 vergezelt hij Quintus Titurius Sabinus op de expeditie tegen de Menapiërs en de Morinen (40). Uit het verder verloop blijkt dat ze niet volledig in hun opzet slagen, want na de terugkeer uit Brittannië wordt Labienus belast met de onderwerping der Morinen, terwijl Sabinus en Cotta er zich mee vergenoegeen alle akkers te verwoesten en de boerderijen in brand te steken (41). Waarom Caesar beide legaten ook volgend jaar samen uitzendt, weten we niet. Ook hun onderlinge verhouding is ons niet duidelijk. Nergens uit de teksten blijkt wie aanvoerder was van het legioen en wie van de vijf supplementaire cohorten (42). Ofschoon Sabinus steeds als eerste wordt vermeld (43), kan hij blijkbaar Cotta niet bevelen, terwijl Cotta kan weigeren hem te volgen (44). Ambiorix richt zich anderzijds alleen tot Sabinus (45). Het ganse verhaal van Caesar wekt echter de indruk dat Sabinus voorrang geniet op Cotta (46).

Nauwelijks had Caesar de legioenen over de winterkwartieren verspreid of de Carnuten (47) doodden Tasgetius, een telg uit een oud koningsgeslacht, die Caesar drie jaar te voren totkoning had aangesteld. Dit gebeurde met instemming van vele stamgenoten en wellicht op aanstoken van de druïden die in dit centraal gelegen gebied hun jaarlijkse vergadering plachten te houden (48). Caesar die op dat ogenblik nog in het hoofdkwartier te Samarobriva verbleef, reageerde onmiddellijk en zond L. Munatius Plancus met één legioen (het VIIIe) naar hun gebied om elke verdere neiging tot opstand te smoren en een onderzoek ter plaatse in te stellen (49).

Caesar wachtte intussen op de berichten uit de diverse kampen en speciaal op het verslag van Plancus. Pas daarna kon hij vertrekken naar Noord-Italië, zoals hij elke herfst placht te doen.

Is hij inderdaad afgereisd ? Uit zijn Commentarii moet blijken dat hij n i e t vertrok, maar op het ogenblik van de bestorming van het kamp te Atuatuca door Ambiorix en van dat van Cicero, nog in het hoofdkwartier te Amiens toefde. Daartegenover staat de expliciete mededeling van Plutarchus, Dio Cassius en Appianus die van zijn vertrek wel melding maken (50). Verder hebben we er boven reeds op gewezen dat Caesar nooit zulke dringende redenen had om te vertrekken als in de herfst van dit jaar (51). Zelf noteert hij in de Commentarii dat hij besloot in Gallië te blijven tot hij vermin dat de legioenen in winterkwartier lagen. Dit bericht bereikte hem even later, zoals hij eveneens zelf meedeelt (52). O.i. mag men aan de eensluidende mededeling van Plutarchus, Dio Cassius en Appianus niet twijfelen en is Caesar enkele dagen na het ontvangen van de geruststellende berichten vertrokken, om vervolgens door ijlboden teruggeroepen te worden (53). Waarom hij zelf zijn vertrek volledig in het vage laat, behoeft wel niet uiteengezet!

Onmiddellijk nadat het bericht van zijn afreis is doorgegeven, begint de eigenlijke opstand ... maar laten we thans het woord aan Caesar.



DE BELLO GALLICO V 26

«Ongeveer vijftien dagen na de aankomst in de winterkwartieren (54) ging er onverwachts van Ambiorix en Catuvolcus een beweging uit tot opstand en afscheuring. Ofschoon ze op de grenzen van hun gebied hun opwachtingen hadden gemaakt bij Sabinus en Cotta en (de opgelegde hoeveelheden) graan naar het winterkwartier hadden doen voeren, riepen ze op aanstoken van boden van de Trevir Indutiomarus hun mannen te waren, overvielen plots de soldaten die hout waren gaan halen en kwamen in grote getale om het kamp te belegeren. Onze soldaten grepen echter snel naar de wapens en bestegen de wal; toen de Spaanse ruiters langs één poort waren uitgerukt en in een schermutseling hadden gezegevierd, wanhoopten de vijandelijke aanvoerders aan het welslagen van hun onderneming en trokken hun manschappen van de belegering terug. Daarop eisten zij volgens hun gewoonte onder luid geroep dat iemand van ons naar buiten zou komen om te onderhandelen. Ze wensten te spreken over bepaalde zaken in het belang van beide partijen en hoopten hierdoor het geschil te kunnen bijleggen. Naar hen werd Gaius Arpinius gezonden, een Romeins ridder en vertrouwd vriend van Titurius, alsmede Quintus Iunius, een Spanjaard die reeds vroeger in opdracht van Caesar vaak Ambiorix had bezocht (55).

Ambiorix sprak ongeveer als volgt tot hen:
«Hij bekende dat hij in ruil voor de ontvangen weldaden zeer veel verschuldigd was aan Caesar; door zijn toedoen immers was hij verlost van de schatting die hij placht te betalen aan de Atuatuci, zijn geburen; ook waren hem door Caesar zijn zoon en zijn broerszoon teruggeschonken, die als gijzelaars gezonden, door de Atuatuci in slavenketenen werden gehouden.

Bijgevolg had hij de bestorming van het kamp niet ondernomen op eigen initiatief en uit vrije wil, maar gedwongen door zijn stamgenoten; zijn gezag was immers van dien aard dat het volk niet minder recht kon doen gelden tegenover hem, dan hij tegenover het volk. Verder was voor de stam dit de hoofdoorzaak tot de oorlog, dat hij zich niet kon verzetten tegen de plotse samenzwering van de Galliërs. Dat kon hij gemakkelijk bewijzen door zijn onbeduidendheid: hij was toch niet zo wereldvreemd dat hij geloofde met zijn troepenmacht de Romeinen te verslaan. Er bestond echter een gemeenschappelijk plan voor Gallië; deze dag was vastgesteld om alle winterkwartieren van Caesar te bestormen om aldus te verhinderen dat het ene legioen het andere zou ter hulp komen. Als Galliers konden zij moeilijk neen zeggen tot Galliërs, vooral daar het plan blijkbaar was opgevat om de gemeenschappelijke vrijheid te heroveren.

Vermits hij hun nu overeenkomstig zijn vaderlandsliefde voldoening had geschonken, kon hij thans rekening houden met zijn verplichtingen in ruil voor Caesars gunsten. Hij gaf Titurius de raad, ja smeekte hem, in naam der gastvriendschap te zorgen voor zijn eigen leven en dat van zijn soldaten. Een grote bende Germanen was aangeworven en had de Rijn overgestoken; binnen twee dagen zouden ze ter plaatse zijn. De beslissing lag in hun handen (nl. van Sabinus en Cotta), of ze nog voor de buurvolkeren het merkten, de soldaten uit het winterkwartier zouden wegleileiden en naar Cicero of Labienus overbrengen; de ene lag op ongeveer 50 mijlen, de andere ietwat verder van hen af. Dit nu beloofde hij en bevestigde hij door een plechtige eed, dat hij hun veilige doortocht doorheen zijn gebied zou waarborgen. Door zo te handelen zorgde hij voor de stam, vermits deze van de druk van het winterkamp werd bevrijd en betuigde hij Caesar dank voor de genoten weldaden.»

Arpinius en Iunius brengen Ambiorix' woorden over aan de twee legaten. Deze zijn vooral verontrust door het feit dat het nauwelijks te geloven is, dat een volk zonder betekenis (56) als dat der Eburonen, op eigen initiatief Rome durft aan te vallen.

Het voorstel van Ambiorix wordt voor de krijgsraad gebracht, waar het al dadelijk tot een pijnlijk debat komt tussen Sabinus en Cotta. Cotta, de meeste tribunen en centuriones willen van geen aftocht horen zonder uitdrukkelijk bevel van Caesar. Het kamp kan naar hun mening een aanval weerstaan, en de eerste bestorming die het voordeel der volslagen verrassing genoot, bewijst dit best. De voedselvoorraden zijn toereikend om hulp van buiten af te wachten (57).

Sabinus bepleit de onmiddellijke aftocht en vreest dat men in geval van uitstel te laat zal komen. De komst der Germanen boezemt hem vooral schrik in. Caesar is zonder twijfel afgereisd anders is de moord op Tasgetius (58) en het optreden van de Eburonen niet te verklaren. Verder liggen ze vlak bij de Rijn en bij de Germanen, die de dood van Ariovistus nog niet hebben vergeten (59). Gallië staat in rep en roer na zoveel onrecht, na het verlies van aloude krijgsroem en na de onderwerping aan Rome. «Het plan van Ambiorix was in beide gevallen veilig; zo alles goed ging, dan zouden ze zonder enig gevaar het naaste kamp bereiken; spande gans Gallië echter samen met de Germanen, dan was snelheid hun enige kans op redding».

Het debat sleept aan; Cotta en de andere officieren blijven zich verzetten. Intussen hebben de soldaten zich voor het hoofdkwartier verzameld en Sabinus roept met opzet luid genoeg opdat zij het zouden horen: «Drijft dan uw zin door, als ge wilt... Maar zij (de soldaten nl.) zullen klaar zien. Als er iets ernstigs gebeurt, zullen ze u (enk. = Cotta) rekenschap vragen. Het bangt van u af of zij overmorgen, samen met het naaste winterkamp (60), de krijgskans wagen in plaats van verlaten en verre verwijderd (61) van de anderen, door het zwaard of de honger om te komen».

Nog geeft Cotta niet toe; tenslotte, het was toen middernacht, op algemeen aandringen bezwijkt hij. Het bevel wordt gegeven: opbreken bij zonsopgang. De rest van de nacht brengen de soldaten door met het maken van hun bagage en het uitzoeken van wat ze zullen meenemen en wat niet. In een laatste zin geeft Caesar op schampere wijze lucht aan zijn verontwaardiging over zoveel strategische fouten: «Bij het krieken van de dag verlaten ze het kamp, alsof ze deze raad gekregen hadden niet van een vijand, maar van een allerbeste vriend: in eindeloze kolonne en met zo groot mogelijke tros». Tot zover Caesar.

Heel deze passus stelt moeilijke historische problemen, tenzij men bereid is zonder meer het verhaal van Caesar te nemen – Wat hij trouwens beoogt! Anderzijds blijft het feit: Ambiorix is er in geslaagd op een of andere manier, maar alleszins door persoonlijk optreden, Sabinus en Cotta uit hun kamp te lokken en enkele kilometers verder de vijftien cohorten omzeggens volledig uit te roeien. De beschrijving zelf is een voorbeeld van dramatische vertelkunst en de feiten dringen zich aan ons op als in een Griekse tragedie. Zelfs de klassieke agoon, het grote debat, ontbreekt niet. Alleen kon Caesar niet optreden als deux ex machina en was de catastrofe onafwendbaar: vandaar zijn grote woede en mateloze haat vóór Ambiorix. Voor alles wenst hij te vermijden dat de Romeinse lezer — hij schreef voor hem, niet voor ons! — de indruk zou krijgen dat de opstand goed georganiseerd en algemeen was.

Na het „Gallia pacata“ en de feestelijkheden die te Rome na de campagne van 57 en 55 georganiseerd werden (62), zou deze bekentenis immers het failliet betekenen van zijn Gallische politiek. Vandaar de nadruk op „het plotse, onverwachte karakter van de opstand» (63). Door de mededeling van de algemene opstand in de mond van Ambiorix te leggen, wil Caesar juist bereiken dat de Romeinse lezer het n i e t zal geloven (64). Wie echter alle feiten samen beschouwt, kan aan de realiteit van de algemene opstand en van een werkelijk voorbereid en «gepland» optreden niet twijfelen: de opstand van de Carnuten en de moord op Tasgetius, de bestorming van het kamp van Sabinus en Cotta door de Eburonen, de aanval op het kamp van Cicero door de Nerviërs, de verdrijving van Cavarinus (65) door de Senonen, de bedreiging van het kamp van Roscius in Aremorica, de verjaging van Cingetorix en de aanval van de Treveren tegen het kamp van Labienus...

De redevoering zelf, in de vorm ons door Caesar overgeleverd, is historisch volkomen onbetrouwbaar, maar verbazend handig en volgens alle regels der redekunst uitgewerkt. Na de captatio benevolentiae en het accentueren van de plicht tot dankbaarheid, volgt de verklaring en tevens excuus voor de bestorming. De schuld wordt van Ambiorix afgewenteld op de stam, van de stam op de verantwoordelijken voor de algemene opstand. De kleine, onaanzienlijke Eburonen konden eenvoudig niet anders. Na het eerste schrikthema van de veralgemeende opstand, in kunstig crescendo, het doorslaggevend argument: over twee dagen staan grote scharen van Germanen hier! Dus is er maar één veilige oplossing etc.

Of C. Arpinius en Q. Iunius aan de uitmoording zijn ontsnapt, weten we niet. Indien ze gesneuveld zijn, kent Caesar de boodschap van Ambiorix via vage aanduidingen van enkele overlevende soldaten, die ze zelf ook maar van horen zeggen kennen en gedeeltelijk uit het daarop volgende debat hebben afgeleid. De redevoering moet de bijna onbegrijpelijke vlucht uit het kamp psychologisch motiveren, de valsheid en onbetrouwbaarheid van Ambiorix in een scherp daglicht stellen en de schijn wekken dat een algemeen plan van opstand juist niet bestond.

Indien de vorm historisch onbetrouwbaar is, dan zijn de argumenten echter wél aanvaardbaar in de gegeven omstandigheden. Men stelle zich even in de plaats van de Romeinen: zij bevinden zich in het verst verwijderd kamp, in de nabijheid van de Rijn en dus ook van de gevreesde Germanen; zij weten dat Caesar weg is en het spookbeeld van de lange dreigende winter vol ontberingen staat voor hen. Daarbij is het ook mogelijk dat de voedselvoorraad ontoereikend was en dat ze inderdaad alleszins geen lange belegering konden doorstaan, vooral daar de versterkingen nog niet voltooid waren. Anderzijds was Ambiorix steeds een betrouwbaar bondgenoot geweest, die hen had opge-wacht aan de grens en dadelijk met de foeragering begonnen was.

Het d e b a t Sabinus - Cotta is een meesterstukje van dramatische kunst (66) — de agoon uit de Griekse tragedie — maar men heeft moeite om er in te geloven (67). De tegenstelling tussen de twee aanvoerders is tot in het kleinste detail zé uitgewerkt, dat de bedoeling van Caesar duidelijk wordt : de eer van het Romeinse legioen en van zijn officierenkorps sparen door de ganse verantwoordelijkheid en het odium van de gebeurtenissen tevens, op Sabinus af te wentelen. Hij is het zwarte schaap, beladen met alle zonden, dat moet boeten voor de fouten van allen, die van Caesar incluis. Sabinus, die zich te Atuatuca als een balling voelt (reiecti et relegati !) is in panische angst voor de Germanen en vermeldt zelfs nog de naam van Ariovistus.

Zoals alle mensen die schrik hebben, beweert Sabinus dat hij het minst van allen bang is. Hoe en waarom het besluit tot de aftocht genomen werd, zal men nooit kunnen uitmaken, maar wellicht dragen beide legaten een even grote verantwoordelijkheid. Ze handelen in panische angst voor de komst der Germanen enerzijds en vol blind vertrouwen in Ambiorix anderzijds. Het aantal militaire blunders is imposant: Sabinus had moeten gijzelaars eisen en ook Cotta had deze eis moeten stellen als conditio sine qua non voor zijn kapitulatie; zij hadden het vertrek minimum één dag moeten uitsteIlen en de wegen grondig laten verkennen; zij hadden de tros tot het uiterste moeten beperken enz.

Het verdere verhaal is eenvoudig: enkele kilometers van het kamp wordt de kolonne overvallen in een soort keteldal (68). Caesar zet de meer literaire dan historische tegenstelling Sabinus-Cotta verder. De eerste is volkomen verbijsterd en reageert niet meer normaal, de tweede doet zijn plicht en als soldaat én als aanvoerder. De soldaten krijgen het bevel zich in carré op te stellen, wat volgens Caesar, psychologisch verkeerd is, vermits deze opstelling alleen in hoogste nood wordt aangenomen en bij voorkeur dàn, wanneer er spoedige hulp mag verwacht worden. Langs beide kanten wordt heftig gestreden. Tegen de Romeinse legioen-soldaten zijn de Eburonen qua uitrusting en geoefendheid niet opgewassen.

De les van de Selle draagt echter vruchten en Ambiorix weet dat hij alle lijf aan lijf gevechten moet vermijden. Doel moet zijn, de Romeinen uit te putten, hen te verhinderen door te breken en het kamp terug te bereiken.

Elke uitval van een Romeinse cohorte vanuit het carré kost de Eburonen zware verliezen, maar als men het front elastisch houdt, kan men, volgens zijn inzichten, de uitvallende cohorte opvangen als het ware in een lange zak en hen van terzijde bestoken met alle mogelijke projectielen. Zodoende behalen de cohorten niet alleen geen enkel voordeel, maar geraken uitgeput en verliezen nog meer hun moed (69). Heldhalftig strijden de Romeinen verder; de officier-veteraan T. Balventius wordt zwaar getroffen, Q. Lucanius wordt gedood terwijl hij zijn zoon wil ter hulp snellen. L. Cotta zelf wordt in het gelaat gewond (70). Hoe erg de toestand ook was, hopeloos was hij niet. Waarom de legioenen, en vooral Cotta met zijn manschappen die naar alle waarschijnlijkheid de achterhoede vormden, niet naar het kamp trachtten door te breken, blijft een raadsel. Vooral daar bij het einde van het gevecht een kleine groep daarin wel slaagde. Wat Sabinus echter als laatste redmiddel beschouwde, was in feite het bespoedigen van de volledige ondergang: hij wil met Ambiorix onderhandelen. Deze stemt toe en waarborgt hem zijn veiligheid. Daar Cotta weigert hem te vergezellen, beveelt hij de krijgstribunen en de officieren van zijn legioen mee te gaan. Ambiorix gebiedt hem zijn wapens af te leggen (71) ... hij doet het en geeft een gelijkluidend bevel aan zijn gevolg. Even later worden zij omsingeld en gedood.

Nu het legioen door Sabinus' onbegrijpelijke lichtzinnigheid beroofd is van zijn officieren, is de strijd verloren. De meeste soldaten en ook Cotta worden gedood. De overigen trekken zich terug in het kamp (wat dus wel mogelijk was!). De standaard-drager L. Petrosidius wordt gedood voor de wal, maar kan met een laatste krachtinspanning nog de adelaar over de wal heen werpen. 's Nachts plegen alle overlevenden zelfmoord. De enkelen die aan het gevecht ontsnapt waren, bereikten het kamp van Labienus.

Één volledig legioen en vijf cohorten, wellicht 6 à 7.000 soldaten, Spaanse ruiters, hulptroepen allerhande, één adelaar en één winterkamp werden zo met een slag vernietigd: het zwaarste verlies dat Caesar ooit in Gallië ondervond. Schuld hieraan had niet alleen Sabinus' onvergeeflijke zwakheid en verblinding, maar ook Caesar, die zidh in Ambiorix volkomen had vergist en zijn legioenen op onverantwoorde wijze had verspreid. De onmiddellijke gevolgen van deze nederlaag kan men gemakkelijk raden: de hoop op het welslagen van de opstand groeide en de faam van Caesars onoverwinnelijke legioenen was gebroken.

Deze nederlaag vervulde Caesar met zo'n geweldige haat tegen de Eburonen en Ambiorix, dat hij zwoer zijn baard en haren te laten groeien tot hij zich had gewroken: «diligebat quoque us-que adeo (milites) ut, audita clade Tituriana, barbam capillumque summiserit nec ante dempserit quam vindicasset» (72). De haat van Caesar kan men best meten aan de maatregelen die hij volgende jaren nam om Ambiorix dood of levend te vinden en de Eburonen uit te roeien. In het eerste is hij nooit geslaagd, in het tweede wel.

Door dit succes aangemoedigd, begeeft Ambiorix zich onmiddellijk op weg om de buurvolkeren, vooral de Atuatuci en de Nerviërs, tot opstand aan te sporen (73). Hij opereert met een opvallende snelheid die hij eveneens van Caesar heeft afgekeken. Zijn enthoesiasme werkt aanstekelijk; de Nerviërs mobilizeren onmiddellijk hun clientenvolkeren en vallen het kamp van Cicero (74) aan vooraleer het bericht van Sabinus' nederlaag doorgedrongen is.

Ook daar worden enkele afdelingen die zich buiten het kamp bevinden om hout en andere materialen in te zamelen, onder de voet gelopen. De eerste bestorming mislukt en 's nachts doet de kampbezetting wonderen om de versterkingen verder te voltooien. 's Anderendaags proberen de Nerviërs dezelfde list als Ambiorix. Ze waarborgen Cicero vrije doortocht door hun Land, maar wensen te allen prijze van de winterkwartieren verschoond te blijven. Het spookbeeld van de veralgemeende opstand en van de Germanen wordt opgehaald. Cicero loopt echter niet in de val, die ongetwijfeld Ambiorix — het hele opzet is duidelijk een remake van Atuatuca — hem spant.

Daarop wordt het kamp volgens Romeinse methode volledig ingesloten met een wal van tien voet hoog en een gracht van vijftien voet breed (75). Hierbij zijn ongetwijfeld de Atuatuci als raadgevers opgetreden, vermits in 57 Caesar hun oppidum op deze manier afgegrendeld had (76). Zelfs bouwen zij torens en schilddaken, waaruit blijkt hoe zeer ze de Romeinse investeringstaktiek hadden geassimileerd. Alle voorzorgsmaatregelen van de Gallische bondgenoten ten spijt, weet echter een bode door de mazen van het net te glippen en op het toppunt van gevaar kan Caesar de Nerviërs die hem tegemoet waren getrokken verslaan en het kamp ontzetten.

Welke de rol van Ambiorix bij deze gebeurtenissen geweest is, kunnen wij bij gebrek aan gegevens niet uitmaken. Caesar vermelde alleen dat hij zijn hulp had aangeboden (77). De leiding van de operaties berustte ongetwijfeld bij de Nerviërs. Hiermee was echter zijn rol uitgespeeld. Gallië bleek nog niet rijp voor een algemene opstand onder de leiding van één bekwaam aanvoerder. Deze was er, Ambiorix, maar hij was slechts Eburoon, lid van een kleine stam die in de schaduw van machtige buren leefde. Zijn gezag was niet groot genoeg om gans Gallië tot de strijd op te roepen. Hij wordt nog even door Caesar vermeld in verband met de Treveren (78), maar dan verdwijnt hij als een schim in de wouden der Ardennen of over de Rijn.

De rest van het verhaal is eentonig: een op alle denkbare manieren georganiseerde mensenjacht, waarbij het ganse leger-apparaat gemobiliseerd werd... echter zonder resultaat. Om de mislukking te verhullen en te compenseren: de uitroeiing van een volledige volksstam. De moordpartij bij Atuatuca was voor Caesar een gelegenheid om zijn effectieven te vermeerderen: drie voltallige legioenen, i.e. dertig cohorten namen de plaats in van de vijftien verdwenen cohorten. Vroeger dan andere jaren, ja nog voor het einde van de winter, zette hij in 53 de reeks strafexepedities in en vóór de Nerviërs aan weerstand dachten, was hun gebied reeds verwoest (79). Verrast door Caesars snelheid gaven ook de Senonen en Carnuten zich gewonnen (80). Labienus werd als naar gewoonte belast met de ordehandhaving in het gebied van de Treveren (81). Nu vanuit het Zuiden — nl. vanbij de Carnuten en Senonen geen gevaar meer dreigde, richtte Caesar zijn aandacht op de man die hij van alle Galliërs het meest haatte: Ambiorix.

Om hem en zijn volk volledig te isoleren en alzo beter zijn wraak te kunnen koelen, ondernam Caesar eerst een strooptocht op grote schaal tegen de Menapiërs (82). Daarna was het de beurt aan de Overrijnse Germanen die hulp aan de Treveren hadden gezonden en bij wie Ambiorix wellicht een toevlucht zou kunnen vinden.

Weerom werd een indrukwekkende brug over de Rijn gebouwd, maar de Germanen trokken zich terug in het ontoegankelijke Bacenis-woud, waar Caesar hen niet durfde volgen. Het bleef bij een machtsdemonstratie en Caesar zag zich ten slotte verplicht onverrichterzake terug te keren (83).

De jacht op Ambiorix werd ingezet en het gebied der Eburonen op systematische wijze geplunderd — de oorlog had ook zijn economische en financiële kanten en noden! Ambiorix die wel inzag dat hij machteloos stond tegenover de Romeinse legioenen, gaf het bevel aan zijn landgenoten zich veilig te stellen, ieder voor zich. Een deel van hen vluchtte naar de wouden der Ardennen, anderen naar de moerassen van de Peel of naar de Hoge Venen. Catuvolcus pleegde zelfmoord door vergif van de taxusboom in te nemen, «terwijl hij Ambiorix verwenste» (84). Daarop bezette Caesar Atuatuca en liet er Cicero achter met het nieuwe XIVe legioen, deze maal échte recruten. Hij splitste het leger in drie, zodat elk gebied, elke hoek kon uitgekamd worden. De naburige volksstammen nodigde hij uit om aan de plunderingen deel te nemen: een hoogst gevaarlijke maatregel, want de Germaanse Sugambren kwamen van over de Rijn een handje toesteken en roeiden twee cohorten uit die Q. Cicero, tegen het uitdrukkelijk bevel van Caesar in, uit het kamp had taten gaan, zogezegd om te foerageren (85). Niets baatte echter. Soms zag men in de verte Ambiorix met zijn gevolg van vier ruiters weggalopperen (86 ); één keer was Basilus, een ruiterijaanvoerder, vlak bij de schuilplaats van Ambiorix, een boerderij aan de rand van een bos. Zijn gezellen versperden de Romeinen echter de weg, terwijl anderen Ambiorix te paard hielpen. «Het toeval vermag veel» zucht Caesar daarbij (87)! Het Land der Eburonen werd in een woestenij herschapen. Maar ook dit was niet voldoende om Caesars haat en wraaklust te milderen. In 51 herbegonnen de strafexpedities en de pogingen om Ambiorix te vinden (88). Weerom zonder resultaat, maar Caesar troost zich met de cynische opmerking: daar hij wanhoopte deze steeds vluchtende en opgejaagde man ooit te kunnen vatten, achtte hij het het meest in overeenstemming met zijn waardigheid diens grondgebied zó grondig te plunderen en te ontvolken, dat Ambiorix omwille van de haat van zijn onderdanen — als het toeval er tenminste enkelen zou overlaten — nooit enige kans op terugkeer zou hebben. Zo verdween deze man na korte tijd van het toneel, voor ons even weinig grijpbaar als hij voor Caesar geweest is.

Doorheen de teksten van Caesar zien we een sterke persoonlijkheid, behept met een scherp en koel berekend verstand. Een man die in koele berekening zijn kans afwacht om Caesar een zware slag toe te brengen. Van het misnoegen dat de vestiging van het winterkwartier meebrengt bij zijn stamgenoten, maakt hij handig gebruik om toe te slaan. Scrupules kent hij niet: ook dàt heeft hij van de Romeinen en van Caesar geleerd.

Bewust van de superioriteit van de Romeinse oorlogsvoering bootst hij alles na én met succes. Hij laat niets aan het toeval over en weet zijn manschappen te bedwingen. Hij behoort tot de Gallische «nieuwe school» die de lessen van de Romeinen tot eigen voordeel aanwendt. Uit deze school zal ook Vercingetorix stammen. Ambiorix had echter een gebrek: hij was slechts Eburoon.

___________________________________

Vooraleer deze studie over Ambiorix als historische figuur, te beëindigen, willen we een bescheiden blik werpen op de Ambiorixtraditie in de 19e e., omdat deze mede bepalend is geweest voor de oprichting van het standbeeld waarvan we het eeuwfeest gedenken.

Na de van rijpe verbeelding getuigende uitlatingen van l'abbé de FELLER die de ondergang van Sabinus en Cotta te Luik situeerde en hiervoor het bewijs vond in drie straatnamen (89), gaf S. P. ERNST in zijn «Histoire du Limbourg» (90) een uitvoerig en kritisch overzicht van de Ambiorix-episode. Wel uitvoerig, maar meestal zeer weinig kritisch en overgoten met een sterk-romantische saus, zijn de algemene historische werken uit de 19e eeuw. De auteurs volgen over het algemeen zeer getrouw het verslag van Caesar zonder zieh daarbij vragen te stellen (91).

De Nederlandse historicus W. J. NUYENS annexeert Ambiorix voor de Noordnederlandse geschiedenis en ziet in hem «de eerste die aan de spits van een Nederlands volk op Nederlandse grond voor de vrijheid van zijn vaderland als een held heeft gestreden» (92).

Ondanks de vogue van de historische roman en de sterke invloed van Walter Scott heeft de figuur van Ambiorix slechts één dichter (?) geinspireerd. In 1841 publiceerde nl. de zelfingenomen J.K.H. NOLET DE BRAUWERE VAN STEELAND «een dichtstuk» getiteld «Ambiorix» (93)

Het werk had in zijn tijd voldoende weerklank om de dichter nogmaals naar de «elpen lier» te doen grijpen in 1866 om er een «Ode op het standbeeld van Ambiorix in Herfstmaand van 1866 te Tongeren onthuld» aan te ontwringen, waarvan de laatste vijf strofen bij de onthulling voor de koning werden voorgedragen (94). Het eerste gedicht dat sterke invloed van Bilderdijk en Helmers verraadt en zijn vervaardiger zelfs een eredoctoraat litt. bezorgde aan de Universiteit van Leuven (95), is een onmogelijk romantisch geval, waarvan «de alexandrijnen ronkend en ratelend vijf zangen hoogdravend rollen» (96).

Vermits het dichtstuk ontegensprekelijk mede van invloed is geweest bij de oprichting van Ambiorix' standbeeld (97), mag ik de lezer het genoegen ener samenvatting niet ontzeggen.

De eerste zang, bedoeld als algemene inleiding, begint met de sinds Homerus gebruikelijke aanroeping tot de Muze:

»Verhef u, zangster, die mijn elpen citer spant!»
»Ik roer het snarenspel voor 't dierbaer Vaderland,
» En zing het helden f eit der dappere Eburonen»

Des dichters elpen fier was blijkbaar vlug van de toon, want hij moet ze reeds bijstemmen bij het begin van de tweede zang:

»stem, elpen speeltuig, thans de gouden snaren hoog»

Ambiorix wordt vanzelfsprekend begiftigd met een «reuzige gestalte», een «schoone ziel», «golvend hair gesplitst in blonde vlokken», «blauwe ogen met een heldere arendsblik« (98). Hij heeft een onrustige nacht met angstige vizioenen en besluit tot raadpleging der goden. In het heilige woud ontmoet hij de priesteres Brenda : «blank was ze als 't zwanendons, snelvoetig als de hinde» (99) en meteen wordt het Eburonen-hoofd zo verliefd dat hij niet eens «den optogtszang van 't bardenlied» hoort, in tegenstelling tot de vlaamse schooljeugd die dit pronkstuk van vaderlandse poezij vele decenniën lang via alle bloemlezingen uit het hoofd mocht leren.

»Moedig Germanje, te wapen ! te wapen!
Gord u het reuzenrapier om de leên,
't Pantser om 't lijf en 't helmet om de slapen!
Moedig Germanje, de vijand verscheen:
Op dan, en grijsaerds, en mannen en knapen!
Zonen van 't Noorden in helden herschapen,
sluit uw gelederen duchtig in een !»

's Nachts leert de plichtvergeten Ambiorix terug naar 't woud waar hij Brenda ontmoet en «haer in zijne armen» sluit, nadat het «Ja», 'k min u», «haer rozenmond ontvlood».

Eerst winnen de Romeinen, maar dan, na het verschijnen van Brenda, past Ambiorix de welbekende list toe. In de laatste zang zint Caesar op weerwraak; Ambiorix sneuvelt in de strijd, na eerst volkotnen verbijsterd en verblind, Brenda de schedel te hebben gekloofd.

De «Ode op het standbeeld van Ambiorix» is nog erger.

Moderne werken wijden slechts enkele lijnen aan Ambiorix en de discussie betreft veel meer de identificatie van Atuatuca dan de figuur van de Eburonenleider (100 ). Uitzondering maakt hier het romantisch getinte werk van Camille JULLIAN, die in Ambiorix de voorloper van Vercingetorix ziet (101) . Hij volgt zeer getrouw de tekst van Caesar, is een overtuigd voorstander van de identificatie van Atuatuca met Tongeren en meent in de belegering van Cicero's winterkwartier het beleid en de doortastendheid van Ambiorix te zien.

Van de Eburonenleider heeft hij, op het stramien van Caesars beschrijving, een gedetailleerd portret getekend, dat ofschoon volmaakt romantisch, wellicht beter dan een geleerde uiteenzetting, de figuur van Ambiorix voor ons levend maakt.

«Il n'avait rien de l'allure noble et brillante d'un monarque gaulois ; il vivait, comme un sanglier des Ardennes, non pas en roi de peuples mais en chef de forêts, habitant avec ses compagnons dans une vaste ferme bâtie à l'entrée des bois... Ce qui était parade et décor le laissait indifférent... Il ne voyait que le but à atteindre, des ennemis à tuer, des terres à dálivrer. Peu lui importaient les moyens. Gloire et franchise lui parurent, en face de César, de vaines formules. Pendant quatre ans, il servit les Romains sans se plaindre... D'ailleurs, éloquent, habile à tisser les mensonges, fort intelligent, sachant à merveille l'art de disposer et de cacher une armée, d'une rapidité de mouvements è étonner César lui-même, qui le poursuivit souvent et ne l'atteignit jamais, et en fin, plein d'un sauvage amour pour sa liberté d'homme, préférant à tout pacte de soumission la lutte sauvage dans les bois, la vie hors la loi, les dangers des nuits solitaires, c'est l'énergie la plus puissante qui se soit heurtée ä la fortune de César, j'excepte Caton d'Utique».

Dr. Herman VAN LOOY, geassoc.-docent Rijksuniversiteit Gent.

(1) „CAESAR, d.b.g. VI 32. 4 «Id castelli nomen est. Hoc fere est in mediis Eburonum finibus». De Eburonen zelf wonen voor het grootste deel tussen Maas en Rijn : «Eburones quorum pars maxima est inter Mosam ac Rhenum» (V 24. 4). Nadat de Sugambren de Rijn zijn overgestoken vernemen ze van gevangen genomen Eburonen dat Atuatuca op slechts drie uren afstand gelegen is : «Tribus horis Atuatucam venire potestis» (VI 35. 8)

Het is hier echter niet de plaats om dit probleem uit te diepen en nog minder de geschikte gelegenheid om aan de identificatie Atuatuca - Tongeren te twijfelen! Men zie hierover o.a. A. GRISART, Cesar dans l'Est de la Belgique: les Atuatuques et les Eburons (L E C, 28, 1960 pp. 129-204 spec. p. 171 vgl.) die Atuatuca identificeert met Dolhain - Limbourg. R. MULLER, Oppidum Atuatucorum und die spätrömische Poststraße Bavay - Lüttich - Heerlen - Köln (Gymnasium, 61, 1954 pp. 326-339) stelt Nideggen voor, na Atuatuca in Nuatuca te hebben gewijzigd. WILMOTS, Zou Atuatuca Eburonum niet te situeren zijn te Berg-bij-Tongeren? (L i m b u r g, 40, 1961, pp. 204-210). A. WANKENNE, Tongres à l'epoque romaine (L E C 33, 1965, pp. 156-177). Archeologisch onderzoek alleen zal hier wellicht definitief bescheid kunnen geven.

(2) De bronnen in chronologische orde: CAESAR, de bello gallico V 26-52; VI 29-43; VIII 24-25; IULIUS FRONTINUS (30-104 n. C.), S t r a t e g e m a t a III 17. 6; PLUTARCHUS (ca. 46-120), V i t a Caesaris § 24; SUETONIUS (ca. 69-140), D i v u s Julius § 25.4; 58.2; 67. 4 ; APPIANUS (2e e.), C e l t i ca § 20; de belangrijkste bron na Caesar, die op sommige punten een licht afwijkende versie geeft, is DIO CASSIUS (ca. 155-235), H i s t o r i a r o m a n a, XL 5-8; 31-32.

(3) cfr. vooral M. RAMBAUD, L'art de la déformation historique dans les Commentaires de César. Ann. Univ. Lyon III. 23. Paris 1953 ; P. M. DUVAL, Une perspective nouvelle sur la guerre des Gaules et sur les Gaulois. Journal des savants, 1954, pp. 19-31 en 71-84. H. VAN LOOY, Caesar. Amsterdam-Brussel, 1956, pp. 116-120.; J. P. D. BALSDON The veracity of Caesar. Greece and Rome, 2 nd ser. 4, 1957, pp. 19-28.

(4) d.b.g. II 4. 10 ; bij die gelegenheid noemt Caesar hen Germanen, een naam die de Segni en Condrusi zichzelf geven VI 32. 1. Indien het opgegeven cijfer aan de werkelijkheid beantwoordt, hadden deze vier stammen samen een bevolking van minimum 160.000 hoofden. Voor België geven de cijfers een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 17 à 18 per km2. cfr. L. PARETI, Quanti erano i Belgi ai tempi di Cesare (Athenaeum 22-23, 1944-5 pp. 63-71).

(5) cfr. M. A. ARNOULD, La bataille du Sabis, Belg. Tdschr. v. Phil. en Gesch. 1941 pp. 29-106; P. TURQUIN, La bataille de la Selle (du Sabis) en l'an 57 avant J.-C., L E C, 1955 pp. 113-154.

(6) d.b.g. V. 27. 2: uit effectbejag voegt hij — of Caesar — er aan toe dat ze «in slavenketenen werden gehouden»

(7) Om dezelfde reden had hij vroeger (in 58) de Helvetiërs verplicht terug naar hun woonsteden te trekken en had hij ook de Nerviërs gespaard na de zware nederlaag bij de Selle.

(8) d.b.g. IV 6. 4 (over de Tencteri en de Usipetes): «Qua spe adducti Germani in fines Eburonum et Condrusorum, qui Treverorum clientes, pervenerant». Volgens Caesars taalgebruik heeft „qui“ in een dergelijk geval betrekking op beide voorafgaande namen (cfr. o.a. I 25, 6; 45, 2; II 29, 4; IV 4, 1; V 54, 4). Vanzelfsprekend vermeldt Ambiorix dit feit niet in zijn toespraak om alle argwaan te vermijden.
Volgens Caesar had echter Indutiomarus, de leider van de anti-Romeinse partij bij de Treveri, die als stamhoofd door Caesar was vervangen door zijn schoonzoon Cingetorix, zijn hand in de opstand, cfr. V 26. 2.

(9) d.b.g. V 27. 1. «Q. Iunius ex Hispania quidam, qui iam ante missu Caesaris ad Ambiorigem ventitare consuerat». Volgens JULLIAN, o.c. p. 369 was Q. Iunius de aanvoerder van de Spaanse ruiters die zich in het kamp van Sabinus en Cotta bevonden (cfr. V26.3).

(10) cfr. voor de naam ook de Ambiani i.e. de Rijken.

(11) cfr. V31.5 waar Catuvolcus «rex dimidae partis Eburonum» heet. Over de natuur van dit dubbele koningschap kan men zich bij gebrek aan duidelijke informatie niet uitspreken: de erfelijke koningen waren bij de meeste Keltische stammen vervangen door stamhoofden verkozen voor een bepaalde termijn, één jaar bv., of voor het leven. De Noordelijke stammen hadden echter over het algemeen het al dan niet erfelijk koningschap bewaard.

(12) De grenzen van de pagi bepalen is onmogelijk. Omwille van de vooraanstaande rol van Ambiorix en de identificatie Atuatuca = Tongeren, situeert men Ambiorix meestal in de westelijke pagus en Catuvolcus in de oostelijke. De Maas kan zeker geen grens gevormd hebben, cfr. de onder a.l geciteerde tekst. GANTIER gaat zover te spreken van «les Eburons d'Allemagne» en «les Eburons de Belgique» (La conquête de la Belgique par Jules César. Brussel 1882, p. 230 a.I.).

(13) Typisch is het decrescendo in Caesar's zegebulletins; einde 57 luidt het «omni Gallia pacata», in de lente 56 veel bescheidener «cum... Caesar pacatam Galliam existimaret», na de herfst 54 «pauloque habuit post id factum (scil. Indutiomaro interfecto) Caesar quietiorem Galliam».

(14) cfr. SEUTONIUS, Divus Iulius 54. 2 «In Gallia fana templaque deum donis referta expilavit, urbes diripuit saepius ob praedam quam ob delictum».

(15) cfr. ook PLUTARCHUS, o.c. 22 «Ook zijn roemzucht speelde hierbij een rol: hij werd nl. door de begeerte gedreven de eerste man van de hele wereld te zijn, die met een leger de Rijn overtrok» id. bij DIO CASSIUS, XXX IX. 48. 4.

(16) Over Portus Itius bestaat een uitvoerige literatuur. Alle kustplaatsen van Dieppe tot Vlissingen, (zelfs Sluis en Nieuwpoort) hebben hun verdedigers gehad, maar Boulogne of Wissant kunnen de sterkste argumenten Taten gelden.

(17) d.b.g V 3-4.

(18) d.b.g. V 5-7.

(19) Volgens SUETONIUS, o.c. 47, was Caesar naar Brittannië getrokken «spe margaritarum», in de hoop er parels te vinden. CICERO, ad Att. IV 16.6 ; ad fam. VII 7. 1 geeft eveneens lucht aan zijn ontgoocheling: er is niets te vinden, ook geen zilver, alleen wat slaven!

(20) Brittannië zou pas een eeuw later onder Romeins gezag komen. TACITUS, Agricola 13, drukt het zeer mooi uit «Caesar heeft als eerste Brittannië aangewezen aan het nageslacht, het echter niet in handen gegeven».

(21) PLUTARCHUS, o.c. § 23.

(22) SENECA, ad Marciam de consol. 14. 3.

(23) LUCANUS, Pharsalia I vv. 114-118.

(24) De dood van de steenrijke Crassus, onmiddellijk na de smadelijke nederlaag van Carrhae (mei 53), die aan Rome 7 adelaars van legioenen, 20.000 doden en 10.000 gevangenen kostte, stelde definitief een einde aan het zogez. driemanschap en bezegelde de breuk tussen Caesar en Pompeius.

(25) d.b.g. V 24. 1 «quod eo anno frumentum in Gallia propter siccitates angustius provenerat».

(26) Het slechte weer viel volgens JULLIAN in de periode 25 juni — 21 juli, volgens RICE HOLMES van 11 Juni tot 6 juli.

(27) Het winterkamp wordt gewoonlijk gesitueerd te St. Pol of in de buurt van Boulogne.

(28) Te Binche, Charleroi, Asse of tussen Brussel en Leuven.

(29) Volgens JULLIAN te Mouzon (ca. 15 Km. stroomopwaarts van Sedan), volgens GRISART (o.c. p. 192) te Escombre bij Florenville.

(30) M. Crassus was de oudste zoon van Caesars collega Crassus. Hij sneuvelde het volgend jaar te Carrhae. Voor de ligging van zijn winterkwartier cfr. d.b.g. V 46. 1. JULLIAN situeert het te Froissy, 18 Km. ten N.O. van Beauvais (o.c. III p. 372 a. 2).

(31) Hij wordt even later belast met een missie naar de Carnuten (25. 4), zodat zijn winterkwartier in die richting dient gezocht. JULLIAN (ibid. a. 3) situeert het bij Soissons.

(32) Vanwaar de vijf cohorten komen is onduidelijk. RAMBAUD, L'ordre de bataille de l'armeé des Gaules d'après les commentaires de César (Revue des études anciennes 60. 1958, pp. 87-130), identificeert deze cohorten met de bemanning van de zestig boten die waren teruggekeerd zonder aan de expeditie naar Brittannië deel te nemen. (V 5. 2) «Parte qu'il n'avaient pas fait partie de l'expédition, ces hommes eurent le droit à la longue marche jusqu'à Atuatuca». Volgens hem behoorden ze tot het zesde legioen, dat ook in 55 onder Sabinus had gediend. Cotta voerde z.i. het XIVe legioen aan net als in 57, 56, 55, 54 (wat echter niet blijkt uit de teksten). De hele redenering is zeer problematisch en de door hem voorgestelde attributie der legioenen blijft hypothetisch.

(33) «Het legioen dat hij kort geleden in Gallia Transpadana (tussen Alpen en Po) had gelicht». Proxime kàn inderdaad een onbepaalde tijd in het verleden aanduiden.

(34) cfr. voor de Ubiërs VI 9. 6. Geruchten dat ze de Treveren steunden, waren Caesar ter ore gekomen.

(35) d.b.g. II 5. 6 ; 9. 4 en 10. 1. Hij meldt Caesar onmiddellijk de troepenbeweging van de Belgae die de Aisne pogen over te steken om hem in de rug aan te vallen.

(36) d.b.g. III 17-19 ; Caesar schrijft de overwinning toe n i e t aan de tactische zet van Sabinus — die hij zelf tegen de Nerviërs (V 50) en Labienus tegen de Treveren (V 57-58) toepast — maar aan de geschiktheid van het terrein, de onervarenheid en de vermoeidheid van de vijanden, de moed van de Romeinse soldaten en hun geoefendheid, verkregen in vroegere gevechten.

(37) d.b.g. IV 22. 5 en 38.3.

(38) Het oordeel van JULLIAN, sindsdien door de meeste historici en filologen onderschreven, is dan ook volkomen onrechtvaardig: «Cotta, de valeur suffisante, l'autre, Sabinus, le plus médiocre de ses officiers supérieurs» (o.c. III p. 373) en verder p. 378 «Sabinus, nature faible et timorée». Caesar heeft zich schier nooit vergist in de mensen die hij voor zijn doeleinden gebruikte !

(39) d.b.g. II 11. 3-6 noteert Caesar niet zonder voldoening «ut erat imperatum».

(40) d.b.g. IV 22. 5

(41) d.b.g. IV 38. 1-3.

(42) Meestal aanvaardt men dat Sabinus het legioen aanvoerde; RAMBAUD (1. c.) echter beweert dat Cotta sinds 57 over het XIVe legioen het bevel voerde.

(43) Zo d.b.g. IV 22. 5 ; 38. 3 ; V 24. 5; 26. 2 ; VI 32. 4 ; uitgezonderd VI 37. 8 «Cottaeque et Titurii».

(44) cfr. d.b.g. V 36.3 «IIe (scil. Sabinus) cum Cotta saucio communicat, s i v i d e a t u r, pugna ut excedant» en 36. 4 «Cotta... n e g a t atque in eo perseverat». Aan de tribunen en centuriones b e v e e l t Sabinus wél: iubet en imperat.

(45) d.b.g. V 27.7 «monere, orare Titurium».

(46) Volgens MOMMSEN (Römische Geschichte, 1917 III p. 274 a.) was Cotta ondergeschikt aan Sabinus, die het legioen aanvoerde. Caesar zou volgens hem nooit twee officieren van gelijke rang aan het hoofd van één kamp stellen. Ons dunkt ook dat Caesar de leiding van het kamp bij voorbaat nauwkeurig op punt gesteld had. Voegen we hier volledigheidshalve nog aan toe dat volgens de Griekse schrijver ATHENAEUS (ca. 200) Cotta ook de auteur was van een in het Grieks gestelde geschiedenis van de expeditie naar Brittannié (Deipnosophistae VI 273 b).

(47) In Beauce en Orléanais tussen Seine en Loire; hun voornaamste plaats was Cenabum (Orleans).

(48) cfr. d.b.g. VI 13. B. 10; vermits de Carnuten vanaf dit ogenblik elk jaar het sein tot de opstand geven (VI 2. 3 ; VII 2. 1; 3. 1; VIII 4. 2) moet er wel enig verband gezocht worden. Het voorbeeld van de druïde Diviciacus vriend van Caesar en gast van Cicero te Rome, bewijst anderzijds dat niet alle druiden anti-Romeins gezind waren.

(49) d.b.g. V 25.

(50) PLUTARCHUS, o.c. 24 ; DIO CASSIUS, o.c. XL. 4. 2 ; APPIANUS, Celtica 20.

(51) Zie p. 10.

52) d.b.g. V 24. 8 «quoad legiones conlocatas munitaque hiberna cognovisset, in Gallia morari constituit»; en 25.5 «Interim... certior factus est in hiberna perventum locumque hibernis esse munitum».

(53) PLUTARCHUS, l.c. «Toen dit (nl. de belegering van Cicero's winterkwartier) aan Caesar, die ver af was, werd bericht...»

(54) Deze mededeling laat toe bij benadering de chronologie der gebeurtenissen vast te stellen. Caesar was uit Brittannië teruggekeerd vóór de dag-nachtevening (= 21e) van september (cfr V 23. 5) ; einde september grijpt de landdag te Amiens plaats; daarna vertrekken de legioenen naar hun resp. winterkwartieren, waar ca. 10-12 oktober de laatste toekomen. Tijdens deze periode wordt Tasgetius vermoord. Caesar wacht op de berichten en op het verslag van L. Munatius Plancus en vertrekt o.i. kort daarop naar het Zuiden. Het bericht van zijn afreis wordt verspreid en Ambiorix valt het kamp te Atuatuca aan. De soldaten zijn nog bezig met het opslaan van voorraden en het vervoer van hout: voorzeker hebben de Eburonen niet gewacht tot het kamp volledig versterkt was met torens en palissade. O.i. moet de bestorming kort na de 25e oktober hebben plaats gehad. JULLIAN (o.c. p. 376 a. 3) dateert de uitmoording ca. 21 oktober.

(55) cfr. p. 7 en aant. 9.

(56) d.b.g. V28.1 «civitatem ignobilem atque humilem Eburonum».

(57) Uit 26. 2 blijkt dat de Eburonen graan hebben geleverd (cfr. de vert. p. 17); Cotta zegt woordelijk dat ze niet verlegen zitten om graan (re frumentaria non premi, 28. 5); Sabinus replikeert dat ze niet in staat zijn om een lange belegering te doorstaan (longingua obsidione fames esset timenda 29. 7). De waarheid moet tussen beide liggen: om geen argwaan te wekken, zijn de Eburonen alleszins begonnen met de graanlevering, waarschijnlijk zonder overdreven enthoesiasme.

(58) Die Ambiorix niet in de overgeleverde rede vermeldt, maar die Sabinus toch maar alleen via de Eburonen kan hebben vernomen.

(59) Alleen hier wordt gewag gemaakt van de dood van Ariovistus, de aanvoerder der Germanen door Caesar in 58 in de Elzas verslagen. In d.b.g., I 53. 3 wordt verteld dat hij wist te ontsnappen in een bootje over de Rijn.

(60) Of nu Labienus' kamp of dat van Cicero bedoeld wordt, doet weinig ter zake, maar geen van beide was op zo karte tijd te bereiken.

(61) Sabinus (volgens Caesar althans) zegt «reiecti et relegati longe a ceteris», beide werkwoorden hebben een peioratieve betekenis en een zeer sterke gevoelswaarde. Relegatio is een verzachte vorm van verbanning.

(62) In 57 een supplicatio (dankfeest) van vijftien dagen (II 35. 4) ; in 55 van 20 dagen (IV 38. 5).

(63) De opstanden van de Galliërs zijn steeds «subitus» en «repentinus» en zij wensen bestendig omwentelingen (zo II 1. 3 ; III B. 3 ; 19. 6; 10. 3 enz.).

Caesars optreden is daartegenover steeds gemotiveerd, meestal door het heil en het voordeel van het Romeinse volk

(64) Vele moderne auteurs loochenen eveneens de evidentie der feiten; zo noemen KRANER, DITTENBERGER, MEUSEL de vermelding van de algemene opstand «Schwindel» (Com. ad loc.). Men zie voor de ganse passus M. RAMBAUD, L'art de la déformation historique dans les Commentaires de César (Parijs 1953), spec. p. 101 vgl.

(65) d.b.g. V 54. Caesar had hem tot koning van de Senonen (Boven-Seine, zuiden van Champagne en N. van Bourgogne) aangesteld in de plaats van zijn broeder Moritasgus.

(66) Ook door de uiterst verzorgde woordkeuze ; dat Titurius nog de tijd en de nodige geesteskracht vindt tot een woordspeling als deze «Ardere Galliam ... gloria exstincta» (Gallië staat in laaiende gloed nu de aloude oorlogsroem geblust is) is nogal verwonderlijk! Typisch is verder dat Sabinus spreekt van Ambiorix, Cotta uitsluitend van hostis.

(67) DIO CASSIUS (XL. 5) vermeldt geen debat.

(68) Volgens Caesar bevindt zieh (het begin van) de hinderlaag «a millibus passuum circiter duobus» i.c. op ca. 3 km. (cfr. 32. 1). De kampbezetting met tros en wagens vormde een vele-kilometer lange kolonne, zodat de «convallis» waarin ze overvallen worden wel een extralang keteldal is. Bij de beschrijving voelt men goed dat Caesar niet aanwezig was: het tekort aan nauwkeurigheid compenseert hij echter zeer handig door de dramatische spanning te verhogen. Nu eens schijnt de convallis een dal te zijn waar doorheen een weg loopt, die bij het binnenkomen daalt en bij de uitgang stijgt, en waarvan de zijkanten zo steil zijn dat ze niet bewaakt moeten worden. Elders impliceert het verhaal een vrij grote ruimte waar gestreden wordt en die men zieh moeilijk in de convallis voorstelt. Ook weet men tenslotte niet of ze onder weg zijn naar Cicero, dan wel naar Labienus. De weinigen die zieh hebben kunnen redden, bereikten het kamp van Labienus. Wie Atuatuca met Tongeren identificeert, situeert de hinderlaag in de drassige vallei van de Jeker tussen Koninksem en Lauw, volgens anderen te Vreren in de vallei van de Buth, een bijrivier van de Jeker op ca. 4 km. van Tongeren. Volgens A. GRISART (o.c. p. 189) bezette Ambiorix het plateau van Hèvremont waardoor hij de twee mogelijke uitvalswegen van Limbourg beheerste (op ongev. 3 km. van de plaats).

(69) Deze fase van het gevecht veronderstelt dat ze over veel meer ruimte beschikken dan mogelijk is in de convallis (cfr. vorige aantekening), tenzij de Eburonen de Romeinen aanvallen langs de steile zijkanten. Dit laatste dunkt ons niet waarschijnlijk 1. omdat het nergens vermeid wordt ; 2. omdat de uitvallen van de cohorte dan iniquissimo loco zeker geen resultaat kunnen opleveren ; 3. omdat Ambiorix in dat geval de kolonne kon laten bestoken vanuit de hoogte zonder enig gevaar voor zijn manschappen.

(70) Volgens DIO CASSIUS kwam Cotta om met vele anderen onmiddellijk bij het begin van het gevecht (XL. 6. 2). De details die Caesar verder over hem geeft, pleiten echter voor Caesars versie.

(71) Volgens DIO CASSIUS (ibid.) ontbood Ambiorix Sabinus zogez. om hem te redden. Sabinus had nog vertrouwen in hem, omdat Ambiorix aan de gebeurtenissen geen deel had genomen. Hij werd echter gevangen genomen, en zijn krijgsmantel en wapens werden hem ontnomen. Vervolgens werd hij gedood door Ambiorix zelf, die hem spottend toeriep «hoe wilt ge, zwak als ge zijt, bevelen aan mannen als wij».

(72) SUETONIUS, o.c. 67.

(73) Volgens JULLIAN (o.c. p. 384 a. 1) reed hij over de weg van Bavai naar Binche; volgens RICE HOLMES (C o n q u e s t p. 112) over het plateau van Herve en doorheen de vlakte van Haspengouw. Vermits de ligging van Cicero's hiberna al even onzeker is als deze van Atuatuca, is het bepalen van de gevolgde weg een zeer ijdel ludus ingenii.

(74) Voor de ligging cfr. a. 28.

(75) De verhouding van 2 tot 3 tussen de hoogte van de wal en de breedte van de gracht was regel bij de Romeinen.

(76) cfr. d.b.g. II 29-33.

(77) d.b.g. V 38. 4 «se ad eam rem profitetur adiutorem». Moeilijk blijft intussen nog het antwoord op de vraag, wanneer de bestorming van Cicero's kamp begon. Volgens Caesar (39. 3) pas na de opruiende actie van Ambiorix, maar een en ander pleit vóór een vroegere datum. Het wekt alleszins verwondering dat dit kamp nog niet volledig versterkt is rekening gehouden met het feit dat het legioen verscheidene dagen vóór het XIVe in Atuatuca, moet aangekomen zijn — en anderzijds poogt Cicero onmiddellijk boden te zenden naar Caesar, dien hij dus nog te Samarobriva veronderstelt.

(78) d.b.g. VI 2.

(79) d.b.g. VI 3.

(80) d.b.g. VI 4.

(81) d.b.g. VI 7-8.

(82) d.b.g. VI 5-6.

(83) d.b.g. VI 9-10 ; 29.

(84) d.b.g. VI 31. 5. JULLIAN (o.c. p. 404) merkt niet zonder reden op «Et il expira, dit César, en maudissant Ambiorix. C'étaient Rome et son proconsul qu'il aurait dû maudire».

(85) d.b.g. VI 35-42.

(86) d.b.g. VI 43, 4-6.

(87) d.b.g. VI 30.

(88) VIII 24. 4; 25. 1.

(89) De rues Avroi, la Sauvenière en Pierreuse leidt hij nl. af resp. van Aurunculeius, Sabinus en Petrosidius, die ter plaatse zouden gesneuveld zijn. Zonder commentaar ! ( J o u r n., h i s t o r., et l i t t .nov.)

1783 pp. 423-433).

(90) Postuum gepubliceerd door de Luikse hoogleraar E. Lavalleve in 1837 (dl. I p. 173 vgl.).

(91) Zeer voorzichtig echter is wel de bij uitstek voorzichtige kan. J. DAVID (Vaderlandsche Historie 1 1852, p. 169. Hij noemt Ambiorix « een stouterik zonder weèrga » , maar concludeert «men moet bekennen dat die redevoering (scil. d.b.g. V 27, die hij in vrije vertaling weergeeft) voor eenen barbaar zoo siecht niet samengesponnen was... Maer het is juist daerom dat ik er weinig trouw in heb, en dat ik eerder de listige rede van Ambiorix aenzie voor het werk van Caesar zeif». A. G. B. SCHAYES, (La Belgique et les Pays-bas avant et pendant la domination romaine, Brussel 1858, 2 dln.) stelt zich niet eens deze vraag, terwijl e.g V. GANTHIER (La conquête de la Belgique par Jules César, Brussel 1882), voortspinnend op Caesars mededeling (d.b.g., VI 31.

5) een lange dialoog inlast tussen Ambiorix en Catuvolcus (pp. 234-239). Uitvoerig, maar zonder nieuwe inzichten is de uiteenzetting van H. G. MOKE, La Belgique ancienne et ses origines gauloises, germaniques et franques (Gens 1855).

(92) Algemene Geschiedenis des Nederlandschen Volks. Amsterdam, 1873, I p. 47.

(93) Leuven, 1841, 101 pp. Dit dichterlijk gewrocht werd herdrukt met een Franse vertaling door P. Lebrocquy in 1846 en werd eveneens in het Duits vertaald door Dautzenberg. Uit een brief van J. De Laet aan Ledeganck (26 dec. 1845, UB Gent) blijkt dat de vertaling en drukkosten betaald werden door Nolet zelf (dit laatste volgens een mededeling van W. de Vogelaere, lic. diss. 1942).

(94) Opgedragen aan zijn vriend graaf T'Serclaes van Wommersom, goeverneur van de provincie Limburg.

(95) De opdracht aan Mgr. P.F.X. De Ram, rector magnificus, was hieraan wellicht niet helemaal vreemd.

(96) Zo TH. COOPMAN & L. SCHARPE, Gesch. der Vlaamsche Letterkunde, Antwerpen 1910. De criticus echter in de Vaderlandsche Letteroefeningen, diep onder de indruk van de dichterlijke schoonheden van «Ambiorix» kende destijds aan de dichter een «eerste plaets» toe in de rij der «Vlaemsche» en «een zeer hoge» in die der «Hollandsche dichters»!

(97) Ambiorix was een der laatste vaderlandse figuren die in de romantische tijd gestandbeeld werden. Voor hem reeds Gretry te Luik (1842), Maerlant te Damme, Godfried van Bouillon te Brussel (1843), Simon Stevin en Jan van Eyck te Brugge (resp. 1846 en 1856), Vesalius te Brussel (1847), Margareta van Oostenrijk te Mechelen (1849), Dirk Maertens te Aalst (1856), Rubens en Boduognat te Antwerpen (de laatste wel op een hem onbekende plaats!), Jacob van Artevelde te Gern (1862), Karel de Grote te Luik enz

(98) 2e Zang pp. 24-5. Verder is er nog sprake van reuzenbenden, een reuzenslagzwaerd, een ontzagbare reuzenkling, een reuzenrapier en tutti quanti.

(99) p. 49.

(100) H. PIRENNE, Histoire de Belgique, 1929-5, 1 p. 6 ; Algem. Gesch. der Nederlanden, 1949, I pp. 92-93.

(101) C. JULLIAN, o.c. III «Ambiorix et la révolte générale, p 365 vlg. ; portret p. 369.



HET VRAAGSTUK ATUATUCA

Dagelijks blijven steden en gemeenten gekonfronteerd met nieuwe problemen, die in het belang van de gemeenschap dringend moeten opgelost worden. Met historische problemen is het evenwel anders gesteld; ze eisen geen onmiddellijke oplossing, hebben tijd en zijn voor de meesten ook van weinig belang. Desniettemin behoren de historische problemen van Tongeren tot de aktualiteit, vermits de toeristische pleisterplaats Tongeren zich aankondigt als 's lands oudste stad en als dusdanig druk bezocht wordt. De belangstelling van de toeristen gaat in de alleeerste plaats uit naar het standbeeld van de fors gebouwde Ambiorix — hij liet ons weliswaar geen portret of afbeelding na — dat sedert een eeuw op de Markt de stille getuige gebleven is van het alledaags Tongers leven. We geloven wel dat het standbeeld er met reden werd opgericht, ofschoon tientallen andere plaatsen het willen neerhalen — in figuurlijke zin natuurlijk! — om aanspraak te kunnen maken op de zo fel begeerde titel van Atuatuca Eburonum, waarmee Tongeren zich reeds eeuwen tooit. Het is vandaag niet beslist de eerste maal, dat de vraag gesteld wordt of Tongeren wel ooit het Atuatuca Eburonum geweest is, waar op twee mijl vandaar de Eburonen aan de Romeinen de zwaarste nederlaag, ooit in Gallië geleden, toebrachten door de uitmoording van vijftien kohorten of het anderhalf legioen van de bevelhebbers Sabinus en Cotta; anekdotisch weet men ook dat Caesar bij de treurmare een Fidel-Castro-bevlieging, met Beatle-inslag, kreeg, zijn baard liet staan en zijn haar liet groeien totdat hij zich op de vermaledijde Eburonen gewroken had (1). In datzelfde Atuatuca legerde het XIVde legioen, gedeeltelijk samengesteld uit rekruten, ze kregen er de Sugambren van over de Rijn op hun hals en dank zij uitzonderlijke moed en verweer konden ze de nederlaag afwenden. Er gestaat geen zekerheid omtrent de ligging van de Caesariaans kamp en evenmin over dat Atuatuca.

De zekerheid is daarentegen volledig, wanneer Tongeren op de Romeinse landkaarten verschijnt als Aduaca Tungrorum en de identificering ervan met het huidige Tongeren archeologisch vaststaat. Maar op dat ogenblik zijn we reeds in de periode van het keizerrijk en de garnizoenstad Atuatuca Tungrorum evolueerde uitermate snel, vooral wanneer gans het wegennet in Noord-Gallië aangepast en de stad een zeer belangrijk knooppunt werd. Het Itinerarium Antonini (2), een afstandswijzer uit de tweede helft van de IIIde eeuw na Kr., signaleert Aduaca langs de heirbaan «a Castello Colonia» — van Cassel naar Köln — terwijl op de bekende langgerekte spinnewebkaart, de Tabula Peutingeriana (3 ), men Atuaca aan de linkerzijde van de Maas aantreft als trefpunt van wegen komende van Nijmegen, Köln en Bavay (4), Voordien had in de IIde eeuw de bekende Griekse geograaf, Ptolemaeus uit Alexandria (5), reeds melding gemaakt van een civitas Tungrorum met Atouatoukon als hoofdplaats.

Op een bepaald ogenblik gebeurde er iets, dat zich ook in andere Gallische steden voordeed. Vele hoofdplaatsen van civitates legden hun oudere plaatsterm af en behielden hun ethnische genitiefsvorm: Durocortorum Remorum werd Reims, Lutetia Parisiorum Paris, Atuatuca Tungrorum Tongeren. Van de IVde eeuw af zal de naam Tongeren bewaard blijven in de titel van zijn bisschopszetel: episcopus Tungrensis - Tungrorum - Tungrensium.

Nochtans zijn we met deze schaarse antieke en geografische getuigenissen over Tongeren verre van uitgepraat en we vragen ons dan ook af, of de benamingen Atuatuca Eburonum, Atuatuca Tungrorum, Aduaca, Atuaca en Atouatoukon allen met de ligging van het huidige Tongeren overeenstemmen. Het probleem is ingewikkeld en het debat eeuwenoud. Wanneer echter hierover al een hele biblioteek gerede- en gepennetwist werd, dan stellen we ons voor het vraagstuk nuchter en zonder vooringenomenheid ab ovo te behandelen.


ATUATUCA EBURONUM

Hoewel reeds lang te Tongeren een vroeg-romeins legerkamp werd verondersteld, toch brachten opgravingen in 1963-1964 enigszins de revelatie, want men kreeg de zekerheid over het bestaan van een vroeg-Romeins legerkamp en van leem houten konstrukties uit Augustus' tijd. De resultaten van deze opgravingen werden in een merkwaardige studie (6) behandeld door W. Vanvinckenroye. Schrijver, tevens opgraver, kwam tot het besluit dat het Atuatuca-probleem maar komplexer wordt, wanneer de hier weergevonden vestingsresten, met alles wat erbij hoort, moeilijk te vereenzelvigen zijn met het reeds lang en te vergeefs gezochte legerkamp van Caesar, in casu Atuatuca Eburonum.

W. Vanvinckenroye heeft overschot van gelijk, immers totnogtoe kan op archeologisch vlak geen enkel bewijs gevonden worden dat het Atuatuca van Sabinus en Cotta te Tongeren zou gelegen hebben, ook niet in een van de meer dan dertig door de lokaaleruditie opgegeven plaatsen, zodat men steeds archeologisch in het duister tast. Geen munt, geen wapen, geen potscherf of om't even wat heeft vooralsnog in de richting van dat Caesariaans legerkamp gewezen, spijts al de toponimische aanduidingen als «Camps de Cesar», «Tomveld», «Moorgraaf», «Roberg», Galgenberg» e.d.m. en de zo menigvuldige hipotesen, waarvan enkele meer tot het domein van de «paranormale verschijnselen» schijnen te behoren.

Op welke manier omschreef Caesar nu Atuatuca? Voor het jaar 53 v. Kr. zegt hij (7) uitdrukkelijk: Atuatuca, dit is de naam van (of voor) een schans; zij ligt ongeveer in het midden van het Eburonenland, waar Titurius (Sabinus) en Arunculeius (Cotta) hun intrek hadden genomen (in het jaar 54 v. Kr.) om er de winter door te brengen. Om't even welke Tongerenaar zal zieh verbaasd afvragen, waarom Caesar geen melding maakte van de Jeker, (8), hoewel de archeologie de bevestiging bracht dat de Jekerarm, die thans het Zuiden van de stad besproeit, wel degelijk bestaan heeft in de Romeinse tijd, daar vertikale steunbalken, die een honten brug moesten schragen, aangegraven werden op het tracee van een Romeinse weg, die van de stad in de richting van «de Motten» lieg (9). Nemen we nog aan dat Caesar de vermelding van de Jeker over het hoofd zag, toch blijft hij klaar en duidelijk en heeft het over een welbepaald Atuatuca, het Atuatuca dat ongeveer in het centrum lag van het Eburonenland. Die preciesheid wordt trouwens nog gestaafd door de grammatikale interpretatie van het «id castelli normen est», dat op een tweevoudige manier kan vertaald worden: ofwel dit is de naam van de versterking ofwel dit is de (inheemse) benaming voor de versterking (10). Hierbij voegde Caesar détails: eerstens, dat het ongeveer in het midden van het Eburonenland ligt, vervolgens dat het de plaats is, waar Sabinus en Cotta het jaar voordien hadden overwinterd. De opgave van deze détails doet ons opteren voor de tweede interpretatie, waaruit dus blijkt dat Atuatuca het inheems woord is voor een schans of versterking of kampeerplaats en dat er nog andere Atuatuca's zijn geweest in of buiten het gebied van de Eburonen. Bijgevolg wordt de mogelijkheid niet uitgesloten, dat de Eburonen te Tongeren aan de Jeker een atuatuca zouden gehad hebben, anderzijds wordt de indruk versterkt dat Tongeren niet het Atuatuca van Sabinus en Cotta is geweest.

Over het feit dat Tongeren in het Eburonenland lag, bestaat niet de minste twijfel en het is dan ook niet zonder een vleugje fierheid geweest dat een eeuw geleden het standbeeld van Ambiorix te Tongeren opgericht werd als van de oudste maar ook van de hardnekkigste en stoutmoedigste vrijheidsheld uit de Lage Landen, ofschoon het kerngebied van de Eburonen naar een bewering van Caesar (11) tussen Maas en Rijn gelegen was. Ook aan de linkerzijde van de Maas verbleven er Eburonen en het is niet onwaarschijnlijk dat de twee Eburonenkoningen, Ambiorix en Catuvolcus, de bevelhebbers Sabinus en Cotta hun opwachting hadden gemaakt te Tongeren, bij de grenzen van hun rijk, en graan naar hun winterkwartieren hadden doen brengen (12).

EBURONENLAND

Ook ten tijde van de Eburonen moet het vruchtbaar Haspengouw een benijdenswaardige graanschuur geweest zijn en deze vruchtbaarheid had van de vroegste tijden af voor vestiging determinerend gewerkt, waarvoor de loessgronden van het Haspengouws plateau buitengewoon geschikt zijn (13). De Eburonen of de «Lieden van de Taxusboom», waarvan Caesar zegt dat ze een weinig en onbeduidende stam waren (14) — later heeft de veldheer tot zijn schâ en schande wel moeten ondervinden hoe onbeduidend ze waren — kenden het politiek regiem van een gedeelde koningschap. Ambiorix, wiens keltische naam «de Rijke Koning» betekent, deelde de macht met de oudere Catuvolcus, die niet zo heel veel meer voor opstand en oorlog voelde zodra de Romeinen voet in het Land hadden, ofschoon hij in het keltisch «de Snelle in de strijd» genoemd werd. Ambiorix echter zal de spil, de ziel van de opstand blijven en lief niets onverlet om de Romeinen het leven zuur en lastig te maken. Na een mislukte opstand slingerde de oude Catuvolcus Ambiorix zelfs bittere verwijten in het gelaat en benam zich daarna het leven door vergiftiging met de bladeren van een taxus (15). Hoe het Eburonenland onder beide vorsten verdeeld was, ligt voor het: raden en de veronderstelling (16) dat het oostelijk deel van de Maas tot het ambtsgebied van Catuvolcus en het westelijk deel tot dat van Ambiorix behoorde, berust uitsluitend op fantasie.

Of atuatuca voor bewoning bestemd was, weten we niet. Alleszins doeg de schans een militair karakter en speelde een rol in geval van gevaar en oorlog. Zelfs Ambiorix verbleef niet in een atuatuca, doch in een woning naar gallische trant gebouwd, volkomen door bossen ingesloten, waartoe slechts een smal pad toegang verschafte (17). Hij woonde er met een handvol ruitets, metgezellen en vertrouwelingen en met een ganse militaire uitrusting aan paarden en karren.

Heel wat wegen doorkruisten het Eburonenland, rekening houdend met de duizenden paden, welke door bossen en langs rivieren slingerden en slechts gekend waren door de inheemse bevolking. Aan deze ongekende paden had Ambiorix zelfs menigmaal zijn leven te danken! De zo bekende Romeinse heirbanen hadden natuurlijk het tracee gevolgd van reeds bestaande zandwegen, o.m. de Via Agrippa (18), de baan van Bavay over Tongeren naar Köln, en de Via Mansuerisca (19), die over Baraque Michel, Mont Righi en Botrange het Land der Treveren binnendrong. De Romeinen hadden deze landwegen technisch verbeterd, het tracee hier en daar verlegd zoals dat nu nog gebeurt bij de hedendaagse wegenaanleg, maar het laat geen twijfel dat Caesar's legioenen van deze préromeinse wegen hebben gebruik gemaakt om hun veroveringszending uit te voeren.

DE ATUATUKERS

Door de veldslagen aan de Aisne (Axona) en de Selle (Sabis) bewezen de Romeinen hun superioriteit in open veld en de Atuatukers, de geburen van de Eburonen, dwongen hen over te gaan tot een bestorming, ze hadden zich in een van nature versterkte vesting of oppidum opgesloten. Ook nu liep de zaak weer falikant uit door Caesar's indrukwekkende belegeringstechniek en het «Oppidum Atuatucorum» kapituleerde tamelijk snel.

Er bestaat op etimologische gronden een onmiskenbaar verband tussen «Atuatuci» en «Atuatuca» en in de praktijk wordt dit bevestigd door een pakt, dat tussen Atuatukers en Eburonen bestond. De clausules van dit pakt zijn ons evenwel onbekend maar er bestaan aanwijzigingen om aan te nemen dat in tijden van oorlog en gevaar de Eburonen verplicht waren assistentie te verlenen. Caesar vermeldt dat bij zijn oprukken de Atuatukers al hun andere vestigingen (oppida) en schansen (castella) verlieten om zich in een enkele grote vesting terug te trekken, her «Oppidum Atuatucorum» op een afgesperde landtong, aan Haar vernauwing verdedigd door een dubbele «murus gallicus» met kruisgewijs liggende balken en bekleding met dikke steenblokken. Waar deze vesting gelegen was, blijkt nu weer één van de zovele onopgeloste raadsels te zijn (20).

De Atuatukers, wier dichtste massa de provincie Namen bewoonde, beschikten dus over een uitgebreid Maaslands defensienet, dat uitgewerkt was in gordels van vestingen (oppida) en schansen (castella) op Maas en bijrivieren. Het is nu niet uitgesloten, dat het atuatuca van Tongeren (niet het Atuatuca van Sabinus en Cotta) in dit Maaslands verdedigingssisteem voorkwam als een vooruitgeschoven post op de Jeker op grond van hoger vermeld pakt. Caesar zegt dat de Eburonen onder de heerschappij stonden van de Atuatukers, aan hen verplicht waren door een oorlogsschatting (21) en dat de Atuatukers zelfs wegens ontrouw de neef en de zoon (22) van Ambiorix in de boeien hadden geklonken. Na de overgave der Atuatukers stelde Caesar een einde aan dit pakt en van dan af werden de Eburonen, samen met de Condrusen, met Caesar's instemming kliënten van de Treveren (23).



DE LISTIGE AMBIORIX

Noch Caesar's talrijke zegepralen, noch zijn schitterende machtsdemonstraties van een bruggebouw over de Rijn en van een suksesrijke overvaart naar Engeland konden het gezag van Roma in Noord-Gallië handhaven. Caesar moest daarenboven heëiwat opstanden, grote en kleine, onderdrukken. In het jaar 54 v. Kr. stelde een gewapende landdag van Galliërs een algemeen plan op om Caesar op een grootscheepse wijze aan te wallen en volgens een gemeenschappelijke wer waren alle weerbare mannen gehouden aan deze aanval deel te nemen, waartoe een moordaanslag te Orléans op de persoon van Tasgetius (2, 1), die er door Caesar tot koning van de Carnuten was aangesteld, het algemeen sein zou zijn. Omwille van een tekort aan broodgraan, te wijten aan een aanhoudende droogte, had Caesar zijn legioenen over een vrij groot aantal winterkwartieren verspreid en om't even welke strateeg mag deze beslissing als een flater van belang bestempelen. Zo overwinterden de soldaten van de bevelhebber T. Labienus nabij de Treveerse grens in het land der Remers, die van Q. Cicero - een van de jongere broers van de befaamde Romeinse redenaar — in het land der Nerviërs en de vijftien kohorten van Q. T. Sabinus en L. A. Cotta in Atuatuca bij de Eburonen (25). Uit deze drie marskampen in Noord-Gallië ontstaat dan een driehoek, waaraan talrijke filologen en historici onverpoosd hebben gepeuterd zonder de oplossing van het raadsel te vinden, ofschoon de drie zijden van de driehoek in afstand gekend zijn (26).

Van Atuatuca bij de Eburonen tot her kamp van Cicero bij de Nerviërs bedraagt de afstand 55 mijl (82 km) en tot her kamp van Labienus bij de Remers 50 mijl (75 km); russen her kamp van Labienus en dat van Cicero liggen ongeveer 60 mijl (90 km) (27). Archeologisch kan de ligging van geen enkel kamp bewezen worden en zo komt her, dat voor de drie kampementen diverse plaatsen werden voorgesteld. Vooral oud-militairen voelden zich tot het probleem aangetrokken en wierpen hun rijke ervaring in de weegschaal om her nog komplexer te maken en daarbij de tijd van hun op pensioenstelling aangenaam door te brengen. Het geval geraakt helemaal in her slop, als A. Grisart (28) beweert dat Caesar in de opgave van zijn afstanden zeker niet Romeinse mijlen bedoelde maar wel Gallische leugae, vermits de veldheer moedwillig op cijfers speelt om zijn taktische flater te verschonen en de lezers in Roma de indruk zouden krijgen dat de spreiding der winterkwartieren niet te ver van elkaar was gebeurd. Caesar schrok er niet voor terug in zijn mémoires feiten en cijfers te verdraaien in zijn eigen voordeel en mémoires dienen altijd om indruk te maken en de auteur in een gunstig daglicht te stellen (29). Het is niet Caesar, die de afstand opgeeft tussen het kamp van Cicero en Atuatuca, maar wel Ambiorix, de veldheer legt zijn woorden in de mond van een vijand. Ambiorix bedoelde geen mijlen maar leugae. In die zin bedraagt de afstand in leugae (1 leuga — 2222 m) van Atuatuca tot her kamp van Cicero bij de Nerviërs 122 km en tot dat van Labienus bij de Remers 111 km, terwijl dit laatste kamp ongeveer 133 km van dat van Cicero verwijderd was, de driehoek is bijgevolg groter dan oorspronkelijk werd gedacht.

Deze nieuwe versie brengt ons weliswaar niet dichter bij de oplossing, integendeel ze maakt het probleem nog ingewikkelder en het uiteindelijk resultaat blijft nog steeds, dat geen enkel van deze drie kampen archeologisch kan gesitueerd worden. Het is een puzzle zonder uitkomst! Mocht de archeologie erin slagen één van deze drie legerplaatsen terug te vinden, dan kan het raadsel misschien op grond van voornoemde afstanden een oplossing krijgen, alsook de vraag of het Atuatuca van Sabinus en Cotta te Tongeren heeft gelegen. Intussen blijven we nog steeds op glibberig terrein!

Het algemeen aanvalsplan voorzag dat deze drie kampen gelijktijdig zouden aangevallen worden, de Treveren moesten onder leiding van hun koning Indutiomarus het kamp van Labienus aanvallen, de Nerviërs dat van Cicero en de Eburonen her Atuatuca van Sabinus en Cotta. Dit geschiedde dan ook en het scheelde geen haar of de Romeinen waren uit Noord Gallië weggeborsteld. Een goed gesternte nochtans had Caesar van de definitieve nederlaag weerhouden. Indutiomarus faalde, hij werd door Romeinse ruiters in een wad van de Maas ingehaald en gedood en, daar Labienus een belangrijke geldsom had uitgeloofd voor het doden van koning Indutiomarus, werd zijn hoofd triodfantelijk in het legerkamp aangebracht (30). Ook Ambiorix en Catuvolcus sloegen toe en kregen in Atuatuca, dat ongeveer in het midden van het Eburonenland ligt, van de Spaanse ruiters zulke Karde klappen te verduren, dat ze onderhandelingen moesten aanknopen. Als bemiddelaar van de Eburonen onderhandelde Ambiorix met ridder C. Arpinius en de Spanjaard Q. Iunius, die reeds vroeger op bevel van Caesar naar Ambiorix placht te gaan, en waarschijnlijk nu als tolk fungeerde.

Volgens Caesar's relaas ontpopte Ambiorix zich als een sluwe vos (31 ) die men best niet zonder handschoenen benadert. Waarschijnlijk heeft Caesar de listigheid van de Eburoon willen aksentueren om de «clades Tituriana» — de grootste welke Caesar tijdens zijn kampagne in het Westen ooit opliep — te verschonen en te minimaliseren. Ambiorix beriep zich tijdens de onderhandelingen op een reeks psichologische argumenten om zijn houding t.o. van de Romeinen goed te praten en richtte daarbij een dringende waarschuwing tot Sabinus en Cotta, dat «hij uit zeer goede bron wist dat een grote bende Germanen was verzameld, de Rijn had overgestoken en er binnen twee dagen zouden zijn». Over welke Germanen het hier gaat, zegt Caesar niet. Toch hebben we een nieuw element om de ligging van het Atuatuca van Sabinus en Cotta te bepalen, nl. Atuatuca ligt op ca twee dagmarsen van de Rijn. Op dit punt keren we later terug.

Alleszins bereikte de waarschuwing van Ambiorix haar effekt en ze moet wel als een schrikbeeld hebben ingewerkt op de verhitte geesten van de Romeinse soldaten, want bij een uiterst woelige nachtelijke krijgsraad dreigde zelfs muiterij te ontstaan. Uit eindelijk besloten beide bevellhebbers Atuatuca te verlaten en een naburig kamp te vervoegen, ofwel dat van Cicero bij de Nerviërs ofwel dat van Labienus bij de Remers, maar over wel van beide kampen het precies gaat, bestaat geen zekerheid, alhoewel ontsnapte soldaten langs ongekende wegen door de bossen het kamp van Labienus hadden bereikt en hem het nieuws brachten van de hinderlaag. In een eindeloze kolonne en met een overlast aan bagage verlieten de Romeinen Atuatuca bij dageraad - en wat te verwachten was - de Eburonen hadden zich op ca twee mijl (2 km) vandaar in twee groepen in hinderlaag gelegd op de bosrijke hoogten van een zeer groot dal: magna convallis (32).

DE GROTE VALLEI

Met de nodige verbeelding heeft de lokaaleruditie dit groot dal zo wat overal teruggevonden en getoetst aan Caesar's beschrijving... voor sommigen verliep het vrij gemakkelijk en, wanneer we hun geschriften hieromtrent napluizen, dan komen we tot de konklusie dat we nog steeds aan het nulpunt staan, daar er geen enkel afdoend bewijs werd geleverd. In de buuit van Tongeren werd de «magna convallis» teruggevonden zowel in Lauw als in Vreren en zij, die dachten dat de legerplaats van Sabinus en Cotta in Berg moet gelegen hebben, vonden het dal in Sluizen terug in de Jekervallei (33). Even problematisch als de driehoek der drie legerplaatsen blijft vooralsnog de «magna convallis». In de omgeving van Tongeren komt er geen enkel groot dal voor, waarvan het uitzicht aan Caesar's beschrijving beantwoordt, en het vedoop van de gebeurtenissen zal hiervan tevens de bevestiging brengen.

Wanneer het grootste deel van de kolonne (vijftien kohorten en de tros) in die grote vallei was afgedaald, doken de Eburonen plots aan weerszijden op, vooraan drongen ze de Romeinen naar achter en achteraan voerden ze een gelijkaardige beweging uit, maar dan in tegenovergestelde richting zodat de voorste rijen niet konden opklimmen. Rekening houdend met het groot aantal krijgers en het nijptangeffekt van de vallei, kan men zieh wel een denkbeeld vormen van het dal en daarbij moest er heelwat plaats zijn om met anderhalf legioen diverse manoeuvers uit te voeren, al de kohorten in marsformatie moesten het «carree» vormen, daarenboven gebeurde het dat de soldaten allerwegen van hun vendels wegliepen en zieh haastten om hun dierbaarste bezittingen uit de tros weg te halen, telkens als een kohorte het «carree» verliet en vooruitstormde, sneuvelde aan die zijde een groot aantal Eburonen, daar onder druk van de Eburonen was die kohorte dan verplicht terug te keren naar haar vertrekpunt. Dat de Romeinen niet in staat waren het tij te doen keren, was wel betekenisvol, alsook de totale afslachting van vijftien kohorten tussen zeven uur in de morgen tot drie uur 's namiddags. Hierbij sneuvelden zelfs de kopstukken Sabinus en Cotta. Een gering aantal kon echter ontsnappen en enkelen waren onder leiding van de standaarddrager L. Petrosidius naar her kamp van Atuatuca teruggelopen, waar ze in de daaropvolgende nacht in de grootste vertwijfeling zelfmoord pleegden.

Het is onmogelijk een dergelijk dal in de omgeving van Tongeren terug te vinden, zeker niet langs de moerassige oevers van de Jeker. In het gebied tussen Maas en Rijn zullen daarentegen de kansen groter zijn om zulk een «magna convallis» terug te vinden, ofschoon de hipotesen van de lokaaleruditie ten gunste van een Atuatuca tussen beide stromen, soms kinderlijk naïef schijnen. Zo werd ooit beweerd, dat de bekende plaatsnamen in Liège Avroy, La Sauvenière en Pierreuse, hun oorpsrong zouden ontlenen aan de Romeinse officieren Aurunculeius, Sabinus en Petrosidius die er zouden gesneufeld zijn (34). Dit is geen fantasie meer, maar nonsens, alsook de identificering van Atuatuca met Virton (35), vermits dit Luksemburgs stadje volop in het gebied der Treveren gelegen was.

Ernstiger zijn evenwel de hipotesen aan Duitse zijd, die Atuatuca vereenzelvigen met Nideggen (36), een plaats op de Roer tussen Euskirchen en Eupen, maar ook niet de archeologische bevestiging van hun bewering kennen brengen. Wanneer in 1953 de Nederlandse historiofiel A. Munsters (37) nog steeds voor Nideggen of de buurt ervan uitkomt, dan meent zijn landgenoot H. Spierts (38) eindelijk het probleem te hebben opgelost en stelt Honthem voor, een gehucht tussen Margraten en Sint-Geertruid, heel dicht bij het tegenwoordige Amerikaanse kerkhof, waarmee hij in feite de oude stelling heeft hernomen van de doeanier L. Caumartin en C. Ubaghs, die respektievelijk in 1862 en 1887 Honthem hadden aangewezen als het Atuatuca van Sabinus en Cotta. Op grond van de toponiemen «Tomveld», «Moorgraaf» en «Liebig» rekonstrueerde H. Spierts het ganse slagveld zo goed, dat hij op 4 km ten zouden van Honthem de grote grafheuvel van Libeek (de volksmond noemt het Liebig, doelend wellicht op «lijkberg») kon aanwijzen, waar de strijders, Sabinus en Cotta inkluis, hun laatste rustplaats vonden.



AMBIORIX BIJNA GEVAT

In het daaropvolgend jaar (53 v. Kr.) kwam Caesar persoonlijk naar Atuatuca, waar de versterkingen van het kamp sedert het vertrek van Sabinus en Cotta nog gaaf gebleven waren. Net als in de moderne oorlogsvoering werden toen ook de militaire installaties zoveel mogelijk intakt gehouden. Hij bracht er de ganse tros van zijn leger bijeen onder de hoede van het XIVde legioen, samengesteld voor het merendeel uit rekruten uit Noord-Italië, en onder de bevelen van zijn bevelhebber Q. Cicero (39). Op dat ogenblik had hij reeds in zijn genadeloze oorlog tegen de Eburonen de eerste faze ervan afgewerkt, nl. de omsingeling van het Eburonenland, omdat Ambiorix opnieuw en voor de zoveelste maal de ziel geworden was van een nieuwe opstand, waaraan niet alleen de Nerviërs, de Menapiërs, de Atuatukers en de Treveren deelnamen maar ook de Germani Cisrhenani (40). Onder «Germani Cisrhenani» kon Caesar al de voornoemde stammen bedoeld hebben en de uitdrukking als een kollektieve naam hebben gebruikt.

Caesar noemt de Menapiërs de geburen van de Eburonen en men neemt dan ook doorgaans aan dat ze aanvankelijk langs Rijn en Maas gevestigd waren, alsook in de lagere gedeelten van Noord-Brabant langs de vruchtbare rivierdalen (41). Naar luidt bestand er tussen de Menapiërs en Ambiorix een officiële gastvriendschap (42) . Om te beletten dat Ambiorix zich bij de Menapiërs zou verschuilen of zou polgen zich bij de Germanen van over de Rijn aan te sluiten, kam de Caesar de gebieden rond de Eburonen een voor een af en begon dan aan zijn tweede fase: de penetratie in het Eburonenland.

Hij vertrok uit de buurt van Bonn of Koblenz via het Ardennenwoud (43), dat aan de Rijn begon en doorliep tot het grensgebied van Nerviërs en Remers, en zond om taktische redenen Lucius Minucius Basilus met de ganse ruiterij voorop, die sneller oprukte dan algemeen werd verwacht en bijgevolg de vos Ambiorix in zijn hol wist te verrassen. Ambiorix zat er met een handvol ruiters, metgezellen en vertrouwelingen. Doch op het nippertje kon Ambiorix ontsnappen en zond toen in alle richtingen boden uit met de opdracht dat eenieder zichzelf maar moest behelpen, zodat de enen dekking zochten in het Ardennerwoud, de anderen de vlucht namen naar een streek van ononderbroken moerassen en zij, die het dichtst bij de zee woonden, zich verborgen op de Lagunen (4-1). Er bleef Caesar niets anders over dan zoveel mogelijk inlichtingen in te winnen over de ontsnapte Ambiorix uti de mond van Eburoonse krijgsgevangenen en de achtervolging voort te zetten. Hij besloot toen zijn leger in drie groepen te verdelen, na eerst de ganse tros van zijn leger in Atuatuca bijeengebracht te hebben.

Met drie legioenen rukte T. Labienus dan op in de richting van de zee naar de gewesten, die het land der Menapiërs raakten (noordwestelijke richting), C. Trebonius met evenveel legioenen naar het gebied, dat aan het land der Atuatukers grensden (zuid-westelijke richting) en Caesar zelf met de overige drie legioenen in de richting van de «Scaldis», welke in de Maas uitmondt, en naar de uitlopers van de Ardennen (45). Vermits hij met zijn ruiterijkommandant Basilius uit zuidoostelijke richting gekomen was, bleef er voor hem nog maar één richting over, de noordooste-lijke, waar de «Scaldis», bijrivier van de Maas, en de uitlopers van de Ardennen dan te situeren zijn. Met de uitlopers van de Ardennen bedoelde Caesar vermoedelijk een bosrijke streek. Vroeger schreven we reeds dat deze «Scaldis»-rivier niets gemeen heeft met de Schelde, tenzij dan de latijnse naam, en in noordoostelijke richting diende gezocht te worden (46). Volgens de jongste interpretatie zou de hier bedoelde «Scaldis» overeenstemmen met de Zwalm, een riviertje dat ten noorden van Roermond in de Maas uitmondt. Bijgevolg koos Caesar de richting van de Peel, een zeer desolate streek of «solitudo», waar een wegvluchtende Ambiorix gemakkelijk dekking kon vinden (47). Tot hiertoe zei Caesar ook niet dat hij zelf de Maas moest oversteken, wat o.i. een nieuwe aanduiding is om Atuatuca van Sabinus en Cotta tussen Rijn en Maas te situeren. Voor al de bevelhebbers was het rendez-vous te Atuatuca na zeven lagen voorzien, het ogenblik waarop er graan moest uitgedeeld worden.

Indien men nu rekening houdt met de richtingen, de dag van het rendez-vous en het marstempo der legioenen, dan staan de kansen zeer schoon voor Aachen (48), Nideggen, Honthem, 's Gravenvoeren (49), Embourg (50) en Limbourg (51) zonder evenwel het recht te bezitten viktorie te kraaien. Op archeologisch vlak staan al deze plaatsen niet verder dan Tongeren en kunnen zich nog niet sieren met de ere-titel van Atuatuca Eburonum, waar de Romeinen een teer zware nederlaag hebben geleden.



DE SUGAMBREN

Vooraleer in noordoostelijke richting te vertrekken had Caesar naar de buurtstammen ijlboden uitgezonden met het verzoek hei Eburonenland te komen plunderen, daar het ogenschijnlijk nog altijd in zijn bedoeling lag naam en stam van de Eburonen — bandieten zoals hij ze noemde (52) — uit te roeien. De vriendelijke uitnodiging tot massale plundering kwam ook de Germanen van over de Rijn ter ore en vliegensvlug mobiliseerden de Sugambren (52) dan tweeduizend ruiters.

Rechts van de Rijn noemt Caesar de Sugambren, gevestigd tussen de Lippe en de Ruhr, en de Ubiërs tegenover Köln en Bonn. Meer dan een halve eeuw zijn de Sugambren op die plaats blijven wonen totdat ze in 8 of 7 v. Kr. door Tiberius overgeplaatst werden naar de buurt van Xanten, waar ze onder het rechtstreeks toezicht van de kommandant van de vesting Vetera kwamen te staan, en uit de verbinding van de Sugambren met de oude inheemse bevolking onstond het volle van de Cugerni, die later, wanneer Colonia Ulpia Traiana (54) tot stand kwam, Traianenses werden genoemd. Voor de Romeinen bleken de Sugambren de meest geduchte vijand te zijn, nooit is het tussen hen en Caesar tot een verdrag gekomen, en later in het jaar 17 v. Kr. dienden de Sugambren onder leiding van hun koning Maelo de Romeinse gouverneur Marcus Lollius zo een afstraffing toe dat de nederlaag in de geschiedenis bekend staat als de «clades Lolliana» en waarbij zelfs het veldteken van het Legio V verloren ging, waardoor keizer Augustus zich pijnlijk getroffen voelde. Deze nederlaag was voor Augustus de aanleiding om van een defensieve Rijnpolitiek over te schakelen naar een offensieve — en niewe vestingen aan de linkerover van de Rijn te bouwen. Neuss (55) bestond reeds aan het knooppunt van belangrijke wegen doch nu ontstond Vetera bij Xanten (56) aan de monding van de Lippe. Deze reorganisatie belette de Sugambren niet de Romeinen verder aan te vallen en de tochten van Drusus over de Rijn af te weren totdat Tiberius ze verplichte naar de linker Rijnoever te verhuizen ten einde ze onschadelijk te maken en onder kontrole te hebben. Enkele decennia voordien waren de Ubiërs naar de linker Rijnover overgekomen om andere redenen.

Op schepen en vlotten staken de Sugambren, die het bericht van de massale plundering van het Eburonenland hadden opgevangen, de Rijn over op dertig mijl (45 km) van de plaats, waar Caesar in datzelfde jaar een Rijnbrug had gebouwd, vielen het randgebied der Eburonen binnen en maakten zich meester van een grote veestapel, waarop ze bijzonder gesteld waren. Ze lieten zich noch door bossen noch door moerassen afschrikken en bereikten een punt, dat slechts op drie wen van Atuatuca verwijderd lag (57). Het jaar voordien immers had Ambiorix in Atuatuca Sabinus en Cotta ervan verwittigd dat een grote bende Germanen de Rijn had overgestoken en zij binnen twee dagen in Atuatuca zouden zijn (58).

Onvermijdelijk hebben we nu al een indruk opgedaan en het zou unfair zijn ten overstaan van de lokaaleruditie deze niet te willen weergeven. Moeten we voor Atuatuca Eburonum een punt opnoemen, dat het best aan Caesar's beschrijving beantwoordt, dan menen wij dat Aachen-Vaals dat punt zou kunnen zijn. Aachen is inderdaad centraal gelegen in het Eburonenland, tussen Rijn en Maas, en verantwoord ten opzichte van de twee dagmarsen vanaf de Rijn, de drieledige verdeling van Caesar's leger en de onveranderde positie van de Sugambren. Deze indruk is geen certitude en we geven hem weer met alle mogelijke voorbehoud; meer dan een «gooi» is het niet.

KONSIGNE VERBROBEN

Het was een germaanse gewoonte, dat de ruiters zich door voetknechten lieten vergezellen, die voor hun persoonlijke bescherming moesten instaan; deze voetknechten konden evenwel gelijke tred houden met de paarden, aan wier manen zij zieh vasthielden (59).

Dit behendigheidsmanoeuvre kan geen reden zijn om het marstempo van de Germaanse ruiters te overdrijven en we denken wel dat de Germaanse ruiters een afstand als van Köln naar Aachen binnen de twee dagen konden afleggen, zijnde een afstand van 65 km. Tongeren ligt daarentegen 110 km van de Rijn verwijderd. Ijiboden van de georganiseerde postdienst legden ca 15 km per uur af (60) en de gewone dagmars van de Romeinse legioenen bedroeg 20 km, de flinke dagmars 30 km en de geforceerde dagmars 40 km en meer. Aan de hand van deze cijfers en op voorwaarde dat Caesar waarheid sprak, wanneer hij Ambiorix liet zeggen dat Germanen van over de Rijn binnen de twee dagen in Atuatuca konden zijn, dan moeten we aannemen dat Atuatuca ca 60 à 70 km van de Rijn verwijderd was, een argument meer in het voordeel van Aachen en in het nadeel van Tongeren.

Toen de Sugambren nu op drie uren tijds van Atuatuca gekomen waren en er vernamen dat Caesar niet in de buurt was maar verderop was getrokken (wat nogmaals de noordoostelijke richteng van Caesar bevestigt), besloten ze, na hun buit verstopt te hebben, naar Atuatuca op te rukken met een Eburoon als gids. Inmiddels was de week om en Q. Cicero, de bevellhebber van Atuatuca, die aan het rendez-vous van Caesar begon te twijfelen, verbrak het konsigne en hef - wellicht onder druk - vijf Cohorten naar buiten om te foerageren in de naasthijliggende graanvelden, die slechts door een heuvel van hei kamp gescheiden waren, ook driehonderd herstellende soldaten mochten onder een vendel naar buiten, tevens een groot aanval oppassers en een aanzienlijke sleep lastdieren (61). De Sugambren waren Atuatuca ongemerkt genaderd en voerden een Charge uit op de hoofdpoort (62) van het kamp, waar er bossen lagen. Zelfs de kooplui, die voor de achterpoort in tenten legerden om buit af te kopen of versnaperingen te verkopen, hadden van de aanval niets gemerkt en kregen achteraf zelfs de gelegenheid niet meer dekking te zoeken in het kamp, waar alles in rep en roer stand. Met de grootste moeite werden de poorten verdedigd en, na een vinnig gevecht, slaagden de Romeinen er toch in hun kamp gaaf te houden zodat de Sugambren rechtsomkeer moesten maken. De Sugambren hadden Ambiorix haast de meest gewenste dienst bewezen!

Ook dit tafereel hebben velen gerekonstrueerd en de «porta decumana», het bos, de heuvel en de graanvelden teruggevonden, zelfs de graankorrel van meer dan 2.000 jaar oud. J. Wilmots (63 ) zag het als volgt: «Berg op 127 m boven de zeespiegel was het Atuatuca en de hoogte van Tongeren de heuvel, die het kamp van de graanvelden scheidde, en daarachter op ongeveer 3.000 passen van Berg verwijderd, bevond zich het tarweveld». Zo kan het niet beter kloppen, maar het archeologisch bewijs moet nog geleverd worden, ook voor de andere plaatsen die menen aanspraak te mogen maken op Atuatuca. De ganse literatuur, die hierover verscheen, mag men op enkele uitzonderingen na, gerust rangschikken onder de titel «Pane, amore e fantasia».

Bij zijn terugkeer berichtte Caesar in de vorm van een oorlogskommuniquee dat Ambiorix zieh ongemerkt uit de voeten had weten te maken dank zij schuiloorden, bossen en bergpassen, beschermd door de duisternis had hij andere streken en oorden opgezocht, met een geleide van slechts vier ruiters, de enigen aan wie hij zijn leven durfde toevertrouwen (64). Met dit Bericht is het doek over «Het Geval Ambiorix» gevallen.



DE TUNGRI

Nu stelz zich de vraag, of Caesar erin geslaagd is de naam en de stam van de Eburonen uit te roeien zoals hij gezworen had. Hij kon zich zeker grootmoedig en vergevensgezind tonen, ook jegens de Eburonen moet dit in de grond het geval geweest zijn, maar het edelmoedig gebaar was niet anders dan een kamoeflage van zijn opvallende vrees voor de Germanen, die hem als schimmen achtervolgden en die hij over de Rijn wenste terug te dringen. Hij aanzag het oosten als een imminent gevaar voor het Romeins imperium en die gerechtvaardigde vrees heeft dan ook in zekere mate zijn roemzucht gediend. Als eerste Romein stak hij de Rijn over. Dat hij in zijn opzet om de naam en de stam van de Eburonen uit te roeien mislukte, gaf hij volmondig toe en schreef de mislukking toe aan het maquis, waarop de Eburonen in alle omstandigheden beroep konden doen (65).

Het kan bijna als een zekerheid aanvaard worden dat de Eburonen niet werden uitgeroeid maar opgeslorpt onder een nieuwe naam, deze van de Tungri, van wie Atuatuca op de Jeker — en niet het Atuatuca van Sabinus en Cotta — de hoofdplaats is geworden van de civitas Tungrorum. Door een koersverandering in de Romeinse Rijnpolitiek kwam het zwaartepunt van het gebied meer naar het Westen te liggen, en wel in Tongeren. Stammen van over de Rijn verhuisden naar de linker Rijnoever. Zo werden de Ubiërs in 37 v. Kr. door Agrippa overgebracht naar de linkeroever rond Köln en, ofschoon ze een deel kregen van het Eburonenland, werden ze niet opgenomen in de civitas Tungrorum doch groeiden uit tot een nieuwe civitas (66). Dit was op hun aanvraag gebeurd om de Rijn tegen hun Germaanse rasgenoten te verdedigen (67 ). Zoals we hoger schreven, kregen ook de Sugambren, om andere redenen, eeti woonplaats toegewezen rond Xanten. Deze transplantaties van stammen waren er de oorzaak van dat Tongeren zich als Atuatuca Tungrorum kon ontwikkelen tot een werkelijke hoofdplaats en de geschikte plaats werd voor een vroeg-Romeinse transit-legerplaats.

Wat de naam «Tungri» betekent, zijn de meesten eensgezind om er de etimologische betekenis in te zien van «gefedereerden» en het eburoons ekwivalent van «Germani» op grond van een uitspraak van Tacitus (68): nunc Tungri, tune Germani vocati sint. Onder Germani dient hier evenwel «Germani Cisrhenani» verstaan te worden, zodat men naar analogie met de Germani Gaesati (69) Germani Tungri krijgt met de aksentuering op konfederatie. Zo zouden de Tungri een konfederatie gevormd hebben van Eburonen, Condrusen, Caerosi, Atuatukers en andere stammen in hei nieuw administratief verband van de civitas Tungrorum.

Deze nieuwe naam van «Tungri» zou op die manier minstens de naam der Eburonen verdelgd hebben, waartoe Caesar om strategische redenen niet bekwaam was geweest. Nochtans zal een inskriptie uit Worms (70) later nog melding maken van de Eburoon Intamelus.



AVAUCIA-MUNTEN

Toch hebben sommige historici gemeend het Atuatuca van Sabinas en Cotta te moeten vereenzelvigen met Tongeren aan de hand van archeologisch materiaal, inz. een bronzen helm en een groot aantal Avaucia-munten (71). Doch o.i. kan dit archeologisch meteriaal in geen enkel opzicht een identificering met Tongeren rechtvaardigen. De bij Tongeren gevonden bronzen heim blijkt een Vroeg La-Tène vondst te zijn; hij is kalotvormig, uit bronsblik geslagen en bezit een nekbeschutting. Boutgaatjes wijzen erop dat de helm van twee wangplaten voorzien was. Aan de benedenrand bemerkt men sporen, afkomstig van een verdwenen sierband, die de heim omgordde (72).

Evenmin kunnen de Avaucia-munten een voor de identificering afdoend bewijs bijbrengen, hoewel Fr. Huybrights sommige van deze munten toeschreef aan de Eburonen uit Caesar's tijd en V. Tourneur (73) ze situeerde tussen 52 en 27 v. Kr. Meer klaarheid hieromtrent verschaften de jongste opgravingen van het vroeg-Romeins legioenkamp, waarvan de eerste sporen in 1961 in de westelijke sektor van Tongeren aan het licht zijn gekomen onder de vorm van een V-vormige spitsgracht daar waar de Romeinse omheiningsmuur en de «Beukenberg» (Romeins aquedukt) samenkwamen. De legerplaats had een oppervlakte van nagenoeg 80 ha en werd van West naar Oost doorkruist door de heirbaan Bavay-Köln. Uitsluitend in het zuid-westelijk deel hiervan worden de Avaucia-munten weergevonclen, samen met vroeg-Romeinse terra sigillata, nl. op de plaats van het kamp, waar de inheemse bevolking handel dreef met de handelaars, die het leger volgden. Waarom dit geld? Voor de kleinhandel hadden de Romeinse munten wellicht een te grote waarde en de behoefte aan snuister of pasgeld verplichtte de inheemse bevolking deze munten te slaan. Of ze te Tongeren geslagen werden — zoals men beweerd heeft (74) — bestaat totnogtoe geen zekerheid. Grote hoeveelheden van deze Avaucia-munten werden ook teruggevonden in de legerkampen van Haltern en Neuss. Ze verdwenen omstreeks het begin van Tiberius regering uit de omloop (75). Met het verdwijnen van de Avaucia-munten viel ook alle aktiviteit in vroeg-Romeinse legerkamp te Tongeren stil en in het noord-ooste-lijk gedeelte ontstond dan een burgerlijke nederzetting met gebouwen in hout en leem.



KONFEDERATIE

De Tungri waren bijgevolg «gefedereerden» of «foederati» maar over hun juridisch statuut is absoluut niets bekend. Zo ze het statuut van foederati hadden, dan hebben ze dit wsch. verloren ten gevolge van een of ander opstand, meer bepaald de opstand van Civilis in 69 na Kr., toen Tongeren door de opstandelingen, zo niet volledig, dan toch voor een belangrijk deel werd verwoest (76).

Zeer vele Tungri hadden in het Romeinse leger (77) dienst genomen en als zodanig stond een kohorte van de Tungri op de linkervleugel van de Romeinse slagorde opgesteld tegenover het opstandelingenleger van Civilis, die er weliswaar in gelukt was de Tungri op zijn hand te krijgen. Ook de vloot, waarvan een groot deel uit Bataven (78) bestond, had zich reeds aan de rebellen overgeleverd. Plots liep een kohorte der Tungri tijdens her gevecht naar Civilis over (79). Civilis zegevierde, werd geroemd en de bevrijder genoemd.

Tongeren ging in de vlammen op en de houten konstrukties waren een gemakkelijke prooi. Dit wordt bevestigd door de teruggevonden terra sigillata, waarvan het grootste deel te situeren is onder Claudius-Nero (41-68) en bestudeerd werd door Ph. de Schaetzen en M. Vanderhoeven (80). Hierna begon voor Atuatuca Tungrorum een nieuwe bouwfase: de gebouwen werden van dan af in steen opgetrokken.



ATUATUCA TUNGRORUM

Atuatuca Tungrorum stond nu bekend als een belangrijk verkeersknooppunt en was de hoofdplaats geworden van de civitas Tungrorum als deel van de provincie Gallia Belgica, altans naar getuigenissen van Plinius en Ptolemaeus. De vraag stelt zich nu, waar deze auteurs hun informatiebron hadden, vermits keizer Domitianus tussen 82 en 90 na Kr. juridisch de provincies van Germania Inferior en van Germania Superior had ingesteld en de Romeinse landmeter of agrimensor Hyginus, een tijdgenoot van Trajanus (98-117), de civitas Tungrorum tot Germania Inferior rekende ? Wie heeft gelijk? Dezelfde Hyginus noemde de linker Rijnoever nog in het begin van de IIde eeuw Germania (81). Alleszins kamt in de tweede helft van de IVde eeuw bij monde van Ammianus Marcellinus de bevestiging dat de civitas Tungrorum tot Germania Inferior heeft behoord (82 ).

In de loop van de Iste eeuw of in het begin van IIde eeuw beschikte Atuatuca over een uitstekend wegennet, aangelegd naar het voorbeeld van het welbekende zg. hellenistische dambord-schema; de opgravingen van 1963/64 brachten de bekrachtiging van de reeds vroeger uiteengezette hipotese als zou een romeinse stad, in casu Tongeren, ontstaan zijn uit het grondplan van een Romeinse camp (83). Een aantal straten liepen evenwijdig aan de hoofdas (de huidige Maastrichterstraat), waarop andere straten uitkwamen zodat dit stadsdeel in rechthoeken (insulae) was ingedeeld. Dit stadsplan scheen ook geöriënteerd volgens de greis zen van de centuratio of grondverdeling (84) t.t.z. het kadaster, dat als grondslag aangewend werd voor het belastingstelsel. Landmeter Hyginus (85) gaf melding van een «Drususvoet» als lengtemaat gebruikt in het gebied van de Tungri, maar het gebruik ervan kon tot op heden niet bevestigd worden.

Atuatuca groeide uit tot een volwaardige Romeinse stad met omheining, stadspoorten, basilica, tempels (86) en een aqueduct (87). Volgens de aanleg van de straten en de gebouwen moet de eerste Romeinse omheiningsmuur van 4.544 m rond het einde van de IIde eeuw voltooid geweest zijn. De muur was op gelijke afstanden verstevigd door holle torens van ca 9 m diameter en aan de buitenkant beschermd door een drievoudig grachtensisteem, dat niet altijd kontinu was en aan de gesteldheid van het terrein was aangepast. Waar de stadsmuur door de toegangswegen werd doorsneden, stonden er monumentale poorten, met dubbele doorgang door rechthoekige torens geflankeerd. In de dertiger jaren werd de Bavay-poort opgegraven en in 1962 werden de grondvesten van een poort blootgelegd in de nabijheid van het stedelijk kerkhof. De lengte van deze omheiningsmuur (88) wekt alleszins de indruk dat men indertijd groots heeft gezien.

Rond 275 na Kr. werd Atuatuca door een grote inval andermaal verwoest, waarna zich nieuwe verdedigingmaatregelen opdrangen, o.a. de bouw van een kleinere ringmuur (2604 m), die het midden van de huidige stad doorsneed en zo aangelegd werd dat het centrum binnen de nieuwe omwalling bleef. Met aansluitingspunt van beide Romeinse omheiningen werd in 1965 teruggevonden n.a. van de opgravingen van een Gallo-Romeinse tempel, de grootste die ooit in ons land werd ontdekt. Ook de tweede stadswal was door torens versterkt, die evenwel dichter (ca 25 m) op rnekaar stonden. Een van deze torens is nog bewaard onder het Vrijthof te Tongeren.

E. J. TRIPS Brugge, juni 1965.


(1) Suetonius, Jul..., 67, 4: diligebat quoque usque adeo ut, auditacta d e T i t u r i a n a, barbam capillumque summiserit nec ante dempserit quam vindicasset.

(2) Dit Itinerarium, waarin de voornaamste wegen van het Romeins Imperium worden opgesomd, zou een kopie zijn van een wereldkaart, welke op een muurwand was aangebracht van de Porticus Vipsania te Roma.

(3) De Tabula Peutingeriana, waarvan het origineel uit het begin van de IIIde eeuw na Kr. dateert, is een langgerekte spinnewebkaart, waarop de voornaamste lijnen van het toenmalige wegennet zijn getekend.

(4) Bij het aanleggen van de steenweg naar St Truiden in 1817 werd te Tongeren een fragment van een mijlpaal gevonden, een achtkantige zuil, in zwarte Naamse steen gehouwen, op de zijden, waarvan de wegen in l e u g a e stonden aangegeven, die van Tongeren in verschillende richtingen liepen, Één leuga = 2222 m.

(5) Ptolemaei Geographiae lib. II, IX, 5.

(6) VANVINCKENROYE W., Opgravingen te Tongeren in 1963-1964, Limburg, XLIV, 1-2, 1965.

(7) Caesar, B. G., V I, 32.

(8) Vroeger dacht men dat de Jekerarm aan de Luikerpoort te Tongeren een gegraven arm was uit de middeleeuwen, toen een omheining omstreeks het midden van de XIIIde eeuw gebouwd werd. Kan. H. VAN DE WEERD (Watriscafus en Wariscapia, V e r z a m e d e O p s t e l l e n 1937, blz. 203-208) was tot dit besluit gekomen op grond van de termen «Watriscafus» en «Variscapia», waarmee een gegraven arm bedoeld wordt van een beek of een rivier met het doel er molens op te bouwen op hoge vaste bodem, wat tevens gelegenheid bood om de waterstand naar willekeur te regelen. In oude dokumenten worden «de Motten» Variscapia genoemd. Ook dachten Prof. J. BREUER en Prof. H. VAN DE WEERD (Les fouilles de Tongres de 1934 et 1935, L'Antiquité Classique. IV, 2, 1935, blz. 489-496) hetzelfde en waren tot de bevinding gekomen dat de Jeker in de Romeinse tijd in het rnoerassig gebied van «de Motten» liep, waar de eerste stadswal van 4544 m uit de IIde eeuw na Kr. doorliep.

(9 VANVINCKENROYE W., Bondig verslag betreffende de recente opgravingen te Tongeren, L i m b u r g, XLIII, 3-4, 1964, blz. 76-79.

(10) GRISART A., César dans l’est de la Belgique: les Atuatuques et Ies Eburons, Les Etudes Classiques, XXVIlI, 2, 1960, blz. 198, nota 199 ; MERTENS J., Enkele beschouwingen over Limburg in de Romeinse tijd, Archaeologia Belgica, 75, 1964, blz. 9-10, nota 3.

(11) Caesar, B. G., V, 24.

(12) Caesar, B. G., V, 26. A. WANKENNE, Tongres à l'époque romaine, in Les Etudes Classiques, XXXIII, 2, 1965, blz. 157.

(13) Hoe de vruchtbaarlteid van de bodern determinerend is geweest, illustreren twee voorbeelden. De Maasvallei had de Bandkeramiekers de weg gewezen naar de vruchtbare vlakte tussen Maas, Jeker en Méhaigne. Niet ver van de oevers van de Jeker lagen hutten gegroepeerd op de gemeenten Wonck, Bitsingen, Boirs en Rosmeer (ROOSENS H., Gebouwen van een Bandkeramische nederzetting op de Staberg te Rosmeer, Miscellanea J. BREUER, blz. 121-144); in de oostelijke helft van het Haspengouws loessplateau hadden Bandkeramiekers zich neergezet te Tilice, Anishe en Xhendremael. Ook in het westelijk deel van het Plateau ontstonden dorpen van de Bandkeramiekers o.a. Jeneffe, Verlaine, (Oudoumont) Saint-Georges (Dommartin), Haneffe, Vaux-Borset, Vieux-Waleffe, Latine en Omal. Het is naar de naam van Omal dat de Bandkeramiek bij ons Omal-kultuur wordt genoemd. (MARIEN M. E., Oud-België. Van de eerste landbouwers tot de komst van Caesar, Antwerpen, 1952, blz. 26). Over dc beschaving van de Bandkeramiekers werd in 1961 in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren een merkwaardige tentoonstelling gehouden.

In de Iste, Ilde en IIIde eeuw na Kr. ontstonden in Haspengouw de tumuli of grafsteden van de rijke villabewoners, waarvan de rijke en luxueuse bijgaven de welstand van de bevolking door de vruchtbaarheid van de bodem weerspiegelen (AMAND M., Cologne et la Hesbay à l'époque romaine, Droit et Liberté, 2, 1951, blz. 41-48). In elke Haspengouwse tumulus vond men minstens één stuck van waarde als een askosvaas, een reliéfvaas, een vaas in de vorm van druiventros, een patera, een kamee, een gouden ring, enz. Tumuli bevonden zich in Koninksem, St. Huibrechts-Hern, Vorsen, Omal, Walsbetz, Celles-Waremme, Vaux-et-Borset, Borru en Tienen (MERTENS j., Une riche tombe gallo-romaine, découverte à Tienen-Avendoren, L'Antiquité Classique, XXI, 1, 1952, blz. 3973).

(14) Caesar, B. G., V, 27.

(15) Caesar, B. G., V1, 31.

(16) GANTHIER, La Conquête de la Belgique par Jules Cesar, 1882,

blz. 230.

(17) Caesar, B. G., VI, 30.

(18) De heirbaan Bavay-Köln werd alleszins ten tijde van keizer Claudius I (41-54 na Kr.) in gebruik genomen of misschien zelfs in gebruik was. Dit blijkt uit een onderzoek van enkele van de oudste graven in de zuidwestelijke nekropool te Tongeren (VANVINCKENROYE W., Gallo-Romeinse Grafvondsten uit Tongeren, Provinciaal Gallo-Romeins Museum Tongeren, 1963, blz. 13-14).

(19) VAN OOTEGHEM J., Les routes romaines, Les Etudes Classiques, XVII, 2-3, blz. 251-262.

(20) Mont Falhize bij Huy, de Citadel van Namur, Hastedon bij St. Servais, Embourg bij Liege, La Roche à l'homme bij Nismes, het kompleks van Statte-Huy petite-Monts Erbonne-Falhize (200 ha!), het plateau van Wartet bij Marche-les-Dames, Tchession Brisy bij Rétigny, het plateau van Villers bij Laroche-en-Ardenne, de bocht van de Ourthe bij Nisramont, enz. GRAFF YV., «Oppida» et «castella» des payes des Belges, Celticum, VI, 1963, blz. 113170 en overgenomen in Archeologia Romana.

(21) Caesar, B. G., V, 27.

(22) Caesar, B. G., V, 27.

(23) Caesar, B. G., IV, 6.

(24) Caesar, B. G., V, 25.

(25) Caesar, B. G., V, 24.

(26) MERTENS J., Helinium, II, 1962, blz. 179-180 ; VAN DEN ABEELEN G., Quatre énigmes de l'occupation romaine en Belgique, Rotary International van 19-1-1963, blz. 1898-1899.

(27) Caesar, B. G., V, 27 ; V, 53.

(28) RAMBAUD M., L'art de la déformation Historique dans les commentaires de César, Paris, 1953; ADCOCK Fr., Caesar als Schriftsteller, Göttingen, 1957, blz. 18-37.

(30) Caesar, 13. G., V, 58.

(31) STEGEN G., Le discours d'Ambiorix, in Bulletin de l'Association des Classiques de l'Université de Liège, février 1958, blz. 1-11.

(32) Caesar, 13. G., V, 32.

(33) WILMOTS J., Zou Atuatuca Eburonum niet te situeren zijn te Berg-bij-Tongeren ? in L i m b u r g, XL, 1961, blz. 204-210.

(34) de FELLER, in Journal historique et litteraire, nov 1783, blz 423.

(35) 11ENRARD, Jules César et les Eburons, in Mémoires de I'Academie Royale de Belgique, 33, 1882, blz. 32

(36) MÜLLER R., Aduatuca Eburonum, Nideggen, Jülich, 1943

(37) MUNSTERS A., Atuatuca, in de M a a s g o u w, LXVII, 5, 1953, blz. 129-136.

(38) SPIERTS 11., Julius Caesar Ieed zijn grootste nederlaag vóór 2000 jaar in Zuid-Limburg, in de M a a s g o u w, LXVII, 2, 1953, blz. 33-46 ; id., Atuatuca Eburonum, in L i m b u r g , XXXIII, 11, 1954, blz. 213-219.

(39) Caesar, B. G., VI, 32.

(40) Caesar, B. G., VI, 32.

(41) Nadien werden de Menapiërs door opdringende Germaanse stammen verplicht zieh naar het Westen te verplaatsen en kwamen uiteindelijk in Vlaanderen terecht. STOLTE B. H., Brabant in de Romeinse Tijd, in Kultuurhistorische Verkenningen in de Kempen, II, 1961, blz. 9-29.

(42) Caesar, B. G., VI, 5.

(43) Caesar, B. G., V, 3 ; VI, 29. Het Ardennenwoud strekte zieh uit over een lengte van meer dan 500 mijl (750 km) van de Rijnoever af door het Land der Treveren tot aan de grens der Nerviërs of die der Remers. Van de Rijn tot aan de Remerse-Nervische grens bedraagt de afstand ca 225 km en het is duidelijk det Caesar's opgave van 750 km op een vergissing berust. Dit woud lag voor een zeer groot deel in het gebied van de Treveren, die er — voor zover ze wegens hun hoge ouderdom geen wapens meer konden dragen — in geval van oorlog een veilige schuilplaats vonden. Men neemt aan, dat de grens tussen de oude bisdommen van Köln en Trier ook de limiet vormde tussen het gebied van de Eburonen en dar der Treveren.

(44) Caesar, B. G., VI, 31. Er is een duidelijk verschil russen zij, die zeer dicht bij de zee woonden, en zij die het dichtst bij de zee woonden. Hier worden de lagunen (aestuaria) bedoeld, die door de tijdelijke stijgingen van het water van de grote waterlopen als Rijn en Maas gevormd werden.

(45) Caesar, B. G., VI, 33.

(46) TRIPS E., Ht Ardennenwoud, het maquis van Ambiorix, in L i m b u r g, XXXII, 2, 1953, b1z. 37-38; PIERRET A., L'enigme du Scaldis, in Revue Beige de Philologie et d'Histoire, 1941, blz. 903-905 ; GRISAR.T A., César dans l’est de la Belgique: les Atuatuques et les Eburons, in Les Etudes Classiques, XXVIII, 2, 1960, blz. 196.

(47) De Peel of pagus Vellaus.

(48) de VLAMINCK A., Les Atuatuques, les Ménapiens et leurs voisins, in Le Messager des Sciences Historiques de Gand, 1882, blz. 44: Aachen zou een gesinkopeerde vorm zijn van Atuatuca. Ethnologisch zou Atuatuca ook te vereenzelvigen zijn met A t s c h, een gehucht van Eilendorf in de landkreis Aachen.

(49) WAEBERS, Voeren, het Atuatuca der Romeinen, in H e e m, 1960.

(50) VANNERUS J., Le Limes et les Fortifications gallo-romaines de Belgique. Enquête toponymique, in de Verhandelingen van de Koninklijke Belgische Akademie, Klasse der Letteren, Brussel, XI, 2, 1943, blz. 211; hierdoor gaf schrijver nog meer kansen aan de reeds vroeger door Grandgagnage verdedigde stelling.

(51) GRISART A., César dans l'Est de la Belgique: les Atuatuques et les Eburons, in Les Etudes Classiques, XXVIII, 2, 1960, blz. 188-191. Volgens de schrijver greep het ruiterijgevecht plaats op de hoogte van Hèvremont; daar onderhandelde ook Ambiorix met de Romeinen. (Caesar, I3. G., V, 26 ; V, 27).

(52) Caesar, 13. G., VI, 34: stirpem hominum sceleratorum.

(53) STRABO (Geogr. IV, 3, 4) vermeldt de Ubiërs op de rechter Rijnoever tegenover de Treveren. In 37 v. Kr. liet Agrippa toe, dat de Ubiërs zich op de linker Rijnoever gingen vestigen in en rond Köln. Het is dus niet uitgesloten, dat in Caesar's tijd de Sugambren rechtover Köln gevestigd waren.
(54) VON PETROKOVITS H., Die Ausgrabungen in der Colonia Traiana bei Xanten, in Bonner Jahrbücher, 152, 1952, blz. 41-161.

(55) VON PETROKOVITS H., Novaesium, das Römische Neuss, Köln, 1957.

(56) HINZ H., Xanten zur Römerzeit, Beiträge zur Geschichte und Volkskunde des Kreises Dinslaken am Niederrhein, B. H., 1, 1963, blz.12-13, 18-24.

(57) Caesar, B. G., VI, 35.

(58) Caesar, B. G., V, 27.

(59) Caesar, B. G., 1, 48.

(60) VAN OOTEGHEM J., Les routes romaines, in Les Etudes Classiques, XVII, 2-3, 1949, blz. 262.

(61) Caesar, B. G., VI, 36.

(62) Caesar, B. G., VI, 37 : porta decumana.

(63) WILMOTS J., Zou Atuatuca Eburonum niet te situeren zijn te Berg-bij-Tongeren ? i n L i m b u r g, XL, 1961, blz. 204-210.

(64) Caesar, B. G., VT, 43.

(65) Caesar probeerde het driemaal, tweemaal in 53 na Kr. (13. G. VT, 33 ; VI, 43) en éénmaal in 51 (Hirtius, VIII, 24,25)

(66) SCHMITZ H., Colonia Claudia Ara Agrippinensium, Köln, 1956. Volgens A. GRISART (op. 1., blz. 146) lag de grens tussen het gebied van de Tungri en das van de Ubiërs in een «solitudo», een verlasen gebied, dar van de Hoge Venen rond de Baraque Michel, waar later ook de grens zou liggen tussen het bisdom Tongeren en het bisdom Köln.

(67) Tacitus, Germania, 28

(68) Tacitus, Germania, 2

(69) De «Germani Gaesati» onder leiding van hun koning Virdomants vielen in 222 v. Kr. Italië binnen, waar ze te Clastidium overwonnen werden door konsul M. Claudius Marcellus (V. TOURNEUR, Germani Gaesati (an 222 avant J. C.), in L e M u s é e B e l g e, 1902, blz. 178-189). Volgens V. Tourneur kregen deze Germanen de naam «Gaesati», toen ze zieh nog op de rechter Rijnoever bevonden. Enkele eeuwen later komt de naam «Gaesati» terug naar een te Tongeren in 1900 gevonden inskriptie (CIL, XIII, 3593), waarin sprake is van numeri Gaesarorum, onregelmatige soldaten te Tongeren gekazerneerd op het einde van de IIde eeuw na Kr. Romeinse burgers van de centuria der Gaesaten, aangevoerd door Vallentinus, hadden een altaarsteen gewijd aan Volkanus (WALTZING J. P., Les Gésates, in Bulletin de l'Académie Royale de Belgique, 1901, blz. 757-800). J. Waltzing is de mening toegedaan dat deze soldaten vanaf de lste eeuw v. Kr. in de bergstreken van de Valais (Raetië) gelicht werden en «Gaesati» genoemd werden naar hun bijzonder wapen, «gaesum» genaamd. Caesar (13.G. III, 4) vertelt zelfs dat in 57 v. Kr. de Galliërs uit de Valais stenen slingerden en gaesa, waarrnee ze gewapend waren.

(70) CIL, XIII, 11, 1, 6216.

(71) HUYBRIGHTS Fr., Annales de Congrès de la Féderation archéologique et historique de Belgique, Tongeren, 1923, blz. 75-93.

(72) MARIEN M. E., Oud-België. Van de eerste landbouwers tot de komst van Caesar, Antwerpen, 1952, blz. 368, afb. 345.

(73) TOURNEUR V., La Monnaie de bronze des Tongrois (51-21 av. J. C.), in Annales de Congrès Archéologique de Liège, 1909, blz. 461-479.
TOURNEUR V., I.'origine des Tongrois et une monnaie d'Annarovecos, in La Gazette nunismatique XII, 1907-1908, blz. 33-46.

(74) COENEN J., Is de stad Tongeren ooit bisschopsstad geweest? De volksstam der Tungri, in L i m b u r g, XXXII, 9, 1953, blz. 167.

(75) VANVINCKENROYE W., Opgravingen te Tongeren in 1963-1964, in Limburg, XLIV, 1965, 1-2, blz. 30-31.

(76) Men heeft de opstand van Civilis in verband gebracht met een inschrift uit Vechten (CIL, XIII, 8815) «Gewillig en met recht hebben Tongerse burgers (cives Tungri) en matrozen, die te Vechten (Fectione) hadden aangelegd, hun gelofte aan de godin Viradectis volbracht». Viradectis was een tipische godheid van Tungri en Condrusen (P. MARCHOT, Le nom de la déese condruse Viradecthis, in Zeitschrift für romanische Philologie L, 1930, blz. 346-348). Op dit verband met de opstand van Civilis werd ons gewezen door H. WAGENVOORT, De Tungris nautisque Fectione consistentibus, in Mnemosyne, VIII, 1939, blz. 58-64. De cives Tungri zouden soldaten geweest zijn van de cohors Tungrorum en de nautae Bataven, die na de opstand zijn blijven hangen (consistere) te Vechten, op grond van hun ontslag uit het leger. A. W. BYVANCK, Nederland in de Romeinschen Tijd, Leiden, 1943, deel I1, blz. 489, schreef dat burgers van Tongeren, tesamen met scheepslieden, die hun verblijf te Fectio hadden, in die plaats een altaar hebben gewijd aan de godin Viradectis, waarschijnlijk in de tijd van de opstand der Bataven. Het verband wordt echter ontkend door A. G. ROOSE, in Über die Weihinschrift aus Vechten an die dea Viradectis, in Mnemosyne, VIII, 1940, blz. 244, sq. Het wijschrift dateert uit de tweede helft van de 1ste eeuw na Kr.

(77) TACITUS, Historiae, 11, 14 en 15.

(78) Pars reinigum e Batavis.

(79) Nec diu certato Tungrorurn cohors signa ad Civilem transtulit.

(80) Ph. de SCHAETZEN en M. VANDERHOEVEN, De Terra sigillata te Tongeren II, Publicatie van het Prov. Gallo-Romeins Museum te Tongeren 1964.

(81) in «De condicionibus agrorum»: item dicitur in Germania, in Tungris, pes Drusianus, qui habet monetalem pedem et secunciam.

(82) WANKENNE A., Tongres à l'époque romaine, in Les Etudes Classiques, XXXIII, n° 2, 1965, blz. 156-177.

(83) ULRIX F., Comparaison des plans des villes romaines de Cologne, Trèves et Tongres, in Kölner Jahrbuch für Vor-Frühgeschichte, VI, 1962-63, blz. 58-70.

(84) MERTENS J., Sporen van een Romeins Kadaster in Limburg, in L i m b u r g, XXXVII, 1958, blz. 253 ; ULRIX F., Centuratio in de omstreken van Tongeren, in L i in b u r g, XXXVIII, 1959, blz. 34.44. In de omgeving van Tongeren kon vastgesteld worden dat de centuriën 20 actus (20 actus = 2400 voet) zijde hebben en soms wel in vier vierkanten van 10 actus zijn onderverdeeld. Normaal lag het vertrekpunt van de landverdeling in of vlak bij de stad. Van hieruit werden de twee hoofdassen getrokken. Voor Tongeren lag het vertrekpunt op de Eeuwfeestlaan tegenover het klooster der zusters der HH. Harten (Picpussen) en boven op de thans gesloopte middeleeuwse wal, t.t.z. het hoogstgelegen punt van de stad, 110 m. Dit vertrekpunt is 20 actus verwijderd van de stads-wal van de Driekruisenstraat en 20 actus van de stadswal bij de Maastrichterpoort en nog 20 actus van de stadswal in de «Motten».

(85) Zie nota 81.

(86) Een belangrijke ontdekking werd verricht door Prof. J. Mertens en Dr H. Roosens aan de noordzijde van de stad, tussen de steenweg naar Hasselt en die op Bilzen. Funderingen werden er blootgelegd op geringe afstand van de stadsmuren uit de IIde eeuw, maar van oudere darum dan deze. Ze behoren tot een vierkante Gallo-Romeinse tempel, die zich op de hoogte aldaar verhief. (A. CLAASEN, Archeologische Vondsten, in Limburg, XLIII, 9-10, 1964, blz. 248-249). In juni 1965 waren de opgravingen van deze tempel nog aan gang.

(87) De aquaduct of waterleiding, welke de Romeinse stad van drinkwater voorzag, is een eenvoudige aarden wal — inheems materiaal — waarvan het spoor, de huidige Beukenberg, nog te volgen is op een lengte van ca 2,5 km; deze is ouder dan de eerste stenen omheining van de stad. (J. MERTENS, Enkele beschouwingen over Limburg in de Romeinse tijd, Archaeologia Belgica, 75, 1964, blz. 14-15).

(88) de SCHAETZEN Ph., De datering van de Berste Romeinse stenen omheining van Tongeren, in het O u d e L a n d v a n L o o n, X, 1955, blz. 3-11; BREUER J., Remparts romains de Tongres, A r c h a e o l o g i a Belgica, 51, 1960.



HOE HET AMBIORIX GEDENKTEKEN ER GEKOMEN IS

De staatslieden, die na 1830 het bewind over het jonge koninkrijk België voerden, lieten niets onverlet om bij de bevolking een nationaal bewustzijn in het leven te roepen.

Met dat doel bevorderden ze o.m. de uitgave van de oude kronieken van Vlaanderen, Brabant, Henegouw en Luik, spoorden ze Hendrik Consience aan tot het schrijven van een Geschiedenis van België, lieten ze 's lands oudheidkundige overblijfselen in de Hallepoort te Brussel bijeenbrengen.

Tot «exempel» voor de jongeren, die nog onder Frans of Hollands bestuur geboren en opgegroeid waren, mede ook voor de aankomende «Belgische» jeugd, had het nieuwe land behoefte aan vaderlandse beiden, kunstenaars, schrijvers, uitvinders, volksmenners, enz. uit het verleden.

Bij de vleet waren deze te vinden in de annalen van onze gouwen, doch het was op de pleinen van onze steden, dat ze ten voeten uit dienden op te rijzen, wilde men het trotse verleden aanschouwelijk maken.

Om dit in de hand te werken keerde het gouvernement ruime toelagen uit aan de gemeentebesturen, die aan hun roemruchtigste telgen een gedenkteken, bij voorkeur een standbeeld, wilden wijden.

Gent zou zijn keuze op Jacob van Artevelde laten vallen, Damme op van Maerlant, Antwerpen op Boduognat, Luik op Karel de Grote, Aalst op Dirk Martens, Maaseik op de Gebroeders van Eyck.



WAAROM AMBIORIX?

Te Tongeren was men zo ver nog niet. Wilden de aedilen niet met een tweederangsfiguur voor de dag komen, of hadden zij geen belangstelling voor het opzet van het gouvernement ?

Hélas, zuchtte Frans Driesen, een plaatselijke geschiedschrijver, in 1851, la ville de Tongres, que n'a-t-elle une caisse bien riche et de magistrats bien patriotiques! Nous lui conseillerions de pren-dre l'initiative, et d'élever sur une de ses places publiques un beau monument à la memoire d'Ambiorix, le héros Eburon et presque Tongrois! (1).

Meteen was een oplossing voor het probleem in het vooruitzicht gesteld.

Doch wat wisten Driesen's tijdgenoten over de held van Eburonië af?

Julius Caesar had de figuur Ambiorix in de litteraire bronnen ingeloodst en sinds de Middeleeuwen heeft rnen getracht hem met Tongeren in verband te brengen.

De kroniekschrijver Lucius van Tongeren, die in de XIIIe eeuw zou geleefd hebben (2), verhaalde dat de laatste (legendarische) koning van Tongeren, Karel Inach, met Germania, een zuster van Julius Caesar, getrouwd was... Deze laatste veroverde het rijk van zijn schoonbroeder en doodde hem.. Germania vluchtte en droeg het landsbestuur aan Ambiorix over. Caesar overwon ook dit opperhoofd, schafte het koninkrijk af en richtte het hertogdom Tongeren op; hij benoemde Salvio Brabo, schoonzoon van Germania, tot eerste hertog ...

De Tongerse schrijvers Lambert de Heers in 1662, Hendrik Pisart in 1701, de gebroeders van Muysen in 1787 en Jan van Herck in 1796, reproduceerden niet alleen de verdichtsels van Lucius van Tongeren, doch verluchtten ze bovendien nog met eigen commentaar, wart ze hadden Caesar's De Bello Gallico en Plinius' Historia Naturalis gelezen (3).

En vermits Plinius van de civitas der Tungri sprak, situeerde Pisart, onkundig van de chronologie, de Eburonen over de Maas en vertaalde hij Advaticos door de Tongersche volcken. Van Herck vertaalde Eburonen door Luikenaaren, doch liet Ambiorix over het deel tussen Maas en Rijn regeren en plaatste de troon van Catiwlque (sic) te Tongeren. Na Caesar's verovering veranderden zij hun naam in Tongenaaren, omdat Luikenaars hatelijk geworden was aan deezen hoogmoedigen veroveraar. De van Muysens meenden Atuatuca te Kolmont gevonden te hebben...

Wij zien dus dat ernstige studies over Ambiorix nog niet verschenen waren en daarom bleef er in 1851 nog twijfel bestaan bij de overigens zo enthousiaste Driesen: Ambiorix, le héros Eburon et presque Tongrois ...

Hot was dichter Joannes Nolet de Brauwere van Steeland, die in 1842 op een gans bijzondere wijze de aandacht van het publiek op de held van Atuatuca gevestigd had. Met zijn episch-lyrisch gedicht Ambiorix was hij tot doctor honoris causa van de Leuvense Alma Mater gepromoveerd... Deze breedsprakerige heldenzang romantisch van inhoud en klassiek van vorm, verwierf faam in de toenmalige letterkundige wereld (4). Het wordt in een ander artikel van dit bundel uitvoerig besproken.



DE ROL VAN HET GESCHIED- EN OUDHEIDKUNDIG GENOOTSCHAP

Ook de leden van het Tongers Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, die in 1851 gestichte Société Scientique et Littéraire, hadden her bock van Nolet de Brauwere gelezen — het was trouwens ten gerieve van de Nederlandsonkundigen van een Franse vertaling voorzien — en waren helemaal gewonnen voor de opname van Ambiorix in de galerij van hun roemruchtige stadsgenoten.

In 1859 ruimden ze in hun jaarboek een plaats voor een 34 bladzijden lange biografie van Ambiorix, steeds van de hand van Frans Driesen. In dit artikel had hij alle twijfel opzij gezet: Tongeren IS Atuatuca, de Middeleeuwse stadsgrachten zijn voor hem sans contredit le plus ancien vestige de l'antique Atuatuca: te Vreren dient het toneel van Sabinus en Cotta's nederlaag gezocht (5).

Na kennisname van een circulaire dd. 15 april 1859 van Charles Rogier, minister voor Binnenlandse Zaken (6), bepleitte Driesen voor het genootschap de aprichting te Tongeren van een Arnbiorix-gedenkteken en stelde hij het medelid Jules Bertin, een Franse uitwijkeling, als ontwerper voor: quel sujet pour l'imagination de l'artiste! Le plus rude adversaire de César, le plus fier champion de l'independance belge !

Zonder een historische heiligschennis te plegen - zo schreef hij verder - kan Ambiorix niet aan de vergetelheid prijsgegeven worden. Waar moet zijn standbeeld geplaatst worden? Alleen te Tongeren, het Atuatuca van Caesar, op de plaats zelf van hei kamp van Sabinus en Cotta, geen ander oord komt in aanmerking. Meer dan één stad kan Karel de Grote opvorderen, voor Tongeren past alleen Ambiorix. Espérons que notre voix trouvera de l'echo ... (7).

Doch enkel het oudheidkundig genootschap stond voorlopig achter hem. Op 8 januari schreef het een brief aan het gemeentebestuur om dit aan te zerren een toelage aan her gouvernement aan te vragen, toelage die op de begroting voor Schone Kunsten voorzien was. Deze brief werd in raadzitting van 31 januari 1860 voorgelezen, samen met een andere van Jules Bertin, beeldhouwer te Tongeren, die aanbood kosteloos een model te ontwerpen. De raad besliste de rijkstussenkomst aan te vragen (8).

Verheugd over dit eerste resultaat, stelde het genootschap met A. Perreau, W. Meyers, E. Renard, A. Leroy en F. Driesen een . - subcommissie samen, die tot opdracht had het ontwerp van Bertin te onderzoeken. Het verslag van deze subcommissie was op 25 mei 1860 klaargekomen: het kostuum was door de beschrijving van M. Schayes geïnspireerd (9); een groot schild leunde achter tegen de benen van Ambiorix; dit schild zou er echter nooit op aangebracht worden; als voetstuk zou een dolmen nagebootst worden, omgeven door een afsluiting van wapentrofeeën. Als plaats werd de Grote Markt vooropgezet, ter vervanging van de fontein van het perron, en als grondstof mocht alleen brons aangewend worden (10).

Dit rapport werd gedrukt en een exemplaar werd aan het gouvernement geadresseerd. Dit gelastte onmiddellijk Willem Geefs, Statuaire du Roi, de schets van Bertin te onderzoeken. Vergezeld van graaf de T'Serclaes, gouverneur van Limburg, begaf Geefs zich op 13 juni naar Tongeren.

Ten einde alle misverstand te vermijden, schreef het genootschap op 18 juni 1860 nog een brief aan de minister: Ambiorix moest in brons gegoten worden, daar het hier om een nationaal monument ging; door een ruime toelage kon het gouvernement dit gemakkelijk mogelijk maken...

In de zitting van de Kamer voor Volksvertegenwoordigers sprak de Minister voor Binnenlandse Zaken op 5 december 1860 een redevoering uit, waarin hij o.m. de beslissing van het gouvernement in zake de oprichting van een Arnbiorixgedenkteken te Tongeren bekend maakte. Met grote voldoening kon Frans Driesen deze blijde tijding aan de vergadering van het genootschap van 11 december 1860 bekend maken (11) .



DE ZAAK VOOR DE GEMEENTERAAD

Het gemeentebestuur echter was niet onverdeeld overtuigd: het standbeeld zou 30.000 F. kosten en een stadstussenkomst van 3.500 F. achtte men ruimschoots voldoende...

Toen de Minister van Binnenlandse Zaken op 2 juni 1862 onze stad aanspoorde haar tussenkomst tot 9.000 F. op te voeren, ontstond een levendige woordenwisseling: raadslid de Tiecken vond die laatste som niet overdreven, vermits de voorgestelde vernieuwing van de fontein van het perron al op 7.000 F. geraamd was en vermits Maaseik 15.000 F. opofferde voor het van Eyck-gedenkteken. Raadslid Coart noemde het echter een overdreven uitgave, waarop raadslid Jaminé sussend tussenkwam en voorstelde de toelage op 6.000 F. te brengen — in medio virtus — hetgeen aanvaard werd.

Maar de minister liet niet afdingen en derhalve eiste raadslid Coart in de zitting van 14 juli 1862 dat het voetstuk in de totale prijs zou begrepen zijn. De brief van de minister dd. 28 juli 1862 stelde hem hieromtrent gerust: in de 30.000 F. waren het standbeeld in brons, het voetstuk in natuursteen en de plaatsing inbegrepen.

Maar ook de markt diende verfraaid en in de raadsvergadering van 11 augustus 1862 werd besloten het vervallen huis, genaarnd Het Paradijs, dat het stadhuisplein van de grote markt scheidde, aan te kopen om het af te breken en daardoor tevens de O. L. Vrouwetoren beter tot zijn recht te laten komen.

Inmiddels werkte Jules Bertin aan zijn tweede en derde model, want de commissie voor onderzoek, door het gouvernement hiermee belast, wenste steeds lichte wijzigingen; de in gips gegoten maquette werd ten slotte naar Brussel verzonden ten einde de Commissie voor Monumentenzorg er haar laatste zegen te laten over geven. De al te voorzichtige gemeenteraad meende de 9.000 F. niet te moeten stemmen, alvorens dit derde project goedgekeurd was.

Ook in de raadszitting van 25 september 1862 schijnt de stemming door politieke hartstocht verkorven te zijn; raadslid Jaminé legde volgende verklaring af: de minderheid in de raad had de mare verspreid dar de meerderheid door inertie de uitvoering van het Arnbiorixgedenkteken tegenwerkte. De schuld lag echter bij de Commissie voor Monumentenzorg, die nog steeds op haar eindbeslissing wachten liet. Voor Jules Bertin was Jaminé uiterst toegevend: je me garderai bien de lui adreser le moindre reproche une oeuvre d'art ne s'improvise pas. Hij stelde voor het verschil nogmaals in twee te delen en 7.500 F. als bijdrage van de stad te stemmen... want met de aankoop van Het Paradijs diende de minister ook rekening te houden.

Zo gingen het getalm en de muggezifterij verder. De minister hield voet bij stek: raadslid Bailly vreesde op 1 december 1862 dat het laatste project duurder zou uitvallen en hield zijn stem in beraad; her halsstarrige raadslid Coart wilde eerst de begroting voor 1863 zien; Jaminé geeft toe om de zaak niet verder tot een politieke kwestie te zien uitgroeien en zal de 9.000 F. stemmen.

Zodoende waren de standbeelden van de Gebroeders van Eyk: en van Artevelde vóór Ambiorix klaargekomen en de stad Gent nodigde de Tongerse gemeenteraad tot de inwijdingsplechtigheid uit; eerste schepen Jan Frère werd op 10 augustus 1863 afgevaardigd om onze stad te vertegenwoordigen.

Uiteindelijk op 31 oktober 1864 was de Commissie voor Monumentenzorg met haar goedkeuring klaar gekomen, doch een dépêche van 22 maart 1865 kwam onverwacht de pessimist Coart gelijk geven: het in brons gieten van het beeld zou een bijkomende uitgave van 5.000 F. vergen, in dewelke de stad met 1.500 F. moest tussenkomen. Welke tegenslag, wanz nu waren het de werken aan de nieuwe gemeenteschool weer die de stadsfinanciën opslorpten... en nogmaals zou men proberen er met 1.000 F. van af te komen.



DE UITVOERING

De vierledige overeenkomst tussen de Minister voor Binnenlandse Zaken (A. Vandenpereboom), de gouverneur van Limburg, de burgemeester van Tongeren en de beeldhouwer Jules Bertin, werd pas op 6 november 1865 te Brussel ondertekend. Ziehier de bijzonderste bepalingen uit dit contract:

Het beeld moet 3 meter hoog zijn; een staal van het aan te wenden brons, dat geen zink mocht bevatten en enkel uit rood koper met 11 % tin moest samengesteld zijn, zou vooraf op het departement neergelegd worden. Bertin zou ook het voetstuk leveren, dat evenals het beeld 3 meter hoog zou worden.

De staat zou voor 21.650 F., te betalen in twee sneden van 10.000 F. en, na de afwerking, één van 1.650 F., in de totale prijs van 35.000 F. tussenkomen. Provincie en stad moesten samen de rest, in jaarlijkse derden, betalen.

Het beeld zou in 1866 ingehuldigd worden; door het uitblijven van de instructie of door de vergetelheid van de klerk — wie zal het nu nog uitmaken — waren maand en dag niet ingevuld geworden, maar toch zou men 100 F. per dag vertraging aftrekken...

Bertin zou één jaar waarborg geven en een gemengde commissie zou tot de goedkeuring overgaan. Het gouvernement behiel zieh het recht voor tussen te komen in het opstellen van het eventuele opschrift, niet alleen wat de bewoordingen, doch ook wat de taal betrof... (12).

En dan kon Bertin, zes jaar na het indienen van zijn eerste project, tot de uitvoering van het beeld overgaan; volgens de overlevering werd het in een van de gieterijen uit het Luikse gegoten.

Tot de afbraak van het perron was al op 10 juni 1862 besloten geworden, maar voorzichtigheidshalve had men hiermee getalmd tot in 1866; op 21 april van dit jaar begon de aannemer Jan Christiaens-Vanderyst met de sloping en op 28 april was hij er mee klaar gekomen (13) .

Dan maakte men een aanvang met de bouw van het voetstuk: Bertin gebruikte hiervoor rode Luxemburgse steen, De versgekapte dolmen, qui a l'air d'être peint, werd door de kritische Tonge-naren al te schreeuwend bevonden, maar, le temps peut corriger et rembrunir la teinte écarlate de la pierre, hetgeen trouwens ook gebeurd is (14).

Het beeld zelf kon er nog niet op geplaatst worden, want het prijkte te Brussel op de Exposition des Beaux Arts, die op het Troonplein doorging. Vóór de ingang had men een nabootsing van het stenen voetstuk, in hout met gips bedekt, aangebracht en er bovenop het waarachtige bronzen beeld tentoongesteld.

Verslagen over deze tentoonstelling versehenen in de meeste kranten; het Tongers weekblad La Vedette publiceerde van 25 augustus af uittreksels uit deze verslagen, natuurlijk enkel wat Ambiorix raakte.

De Gazette Belge, Le Journal de Bruges, Les Grelots, Sancho en zelfs L'Illustration uit Parijs, lieten zieh lovend over onze Ambiorix uit. Maar de Coster, auteur des Légendes Flamandes, beschreef in Le Journal de Gand ironisch het werk van Jules Bertin, die hij un débutant, un penseur, doublé d'un poëte noemde. We mogen dit echter de guitige schrijver van Tijl Uilenspiegel niet al te zeer ten kwade duiden ...

Pas op 31 augustus 1866 kwamen de bronzen onderdelen van het standbeeld per spoor te Tongeren aan (15). Er bleven slechts vier dagen over om ze boven op het voetstuk aan elkaar te hechten. Dit schijnt nochtans vlot van Stapel gelopen te zijn, want op 5 september werd het monument, in tegenwoordigheid van Leopold II en zijn gemalin, onthuld.

Geen enkele eigentijdse bron maakt gewag van de persoon die als model geposeerd heeft; de traditie wil nochtans dat zekere August Meesen, kopersmid in de Kruisstraat, zich hiertoe zou geleend hebben (16).

Wat de afrekening met Bertin betreft, dient nog vermeid dat hij op 4 december 1865 reeds schriftelijk een derde van de eerste toelage van 10.000 F. eiste. De eindafrekening had op 7 maart 1867 nog niet plaats gehad, want het raadslid de Tiecken verklaarde in de zitting van die dag dat het beeld niet stevig genoeg op zijn voetstuk vastgezet was, dat het beton beneden aan dit voetstuk afschilferde en dat Bertin zou moeten aangespoord worden aan deze euvels te verhelpen, alvorens hem het saldo uit te betalen.

Henry BAILLIEN, stadsarchivaris.


(1) FR. DRIESEN, Recherches historiques sur Tongres et ses environs, Tongeren, 1851, blz. 144.

(2) S. BALAU, Etude critique des sources de l'histoire du pays de Liège, Brussel, 1901, blz. 449.

(3) L. de HEERS, De levens der Heiligen van Wintershoven, Maastricht, 1662 en 1712. 11. PISART, Kort verhael van de nieuwe ondeckte kennisse der seer oude en hooghgeprezen fonteyne der stadt Tongeren, Roermond, 1701. X, Lettres d'un voyageur aux eaux minérales de Tongres, à son ami de Bruxelles, z. pl., 1787. J. VAN HERCK, Derde uitgevinge of analyse van de bergstoffelijke en ijzeragtige waters van de fontijne kort bij de stad Tongeren. Maastricht, 1796.

(4) Nationaal Biografisch woordenboek, Brussel, 1946, deel 1, kol. 726-728, levensbericht door W. de Vogelaere ; mededeling M. Frère.

(5) BSSLL. 1V, 214 en 219.

(6) Sinds 1830 werden aan beroemde personages monumenten in marmer of brons gewijd; de reeks moet voortgezet worden, doch alleen de belangrijkste figuren komen in aanrnerking. Mindere beroemdheden dienen gememoreerd door marmeren gedenkstenen, aan te brengen in de gevels van hun geboortehuizen. BSSLL., IV, 267.

(7) BSSLL., IV, 191.

(8) Alle verder behandelde gegevens over raadsvergaderingen zijn getrokken uit de reeks registers met de beraadslagingen van de gemeenteraad, bewaard op het stadsarchief, voornamelijk de delen 1859-1863 en 1863-1867.

(9) A. G. B. SCHAYES, Les Pays-Bas avant et durant la domination romaine, Brussel, 1837, blz. 183-188.

(10) BSSLL., IV, 233-241.

(11) Annales parlementaires, 5 december 1860, en BSSLL., IV, 271.

(12) Stadsarchief, nieuw regime, reg. 139, niet gefolieerd.

(13) HENRY BAILLIEN, Het Tongers perron, in L i m b u r g,
XXXVI, 253-262

(14) BSSLL., VII, 244.

(15) Het standbeeld van den oudsten Tongenaar, hetwelk toekomenden woensdag in tegenwoordigheid der koninklijke familie zal ingehuldigd worden, is gisteren met den ijzerenweg in Tongeren aangekomen. Krantenverzameing op het stadsarchief te Tongeren, De Postrijder van 1 september 1866, nummer 104. De werken aan de spoorweg, die Tongeren met Link en Bilzen verbond, waren in 1861 begonnen.

(16) Hij plaatste in de nummers van «De Postrijder» en van «La Vedette», die de inhuldiging voorafgingen, reklame inlassingen voor zijn bedrijf: August Meesen, chaudronnier-plombier, rue de Saint-Trond 41, à Tongres. Zijn zoon Cesar schilderde portretten, o.m. van zijn familielid Mozes Wijngaard (inbezit van Wed. Raf Alofs), stadszichten, o.m. de verdwenen Kruispoort (in bezit van ondergetekende), en toneeltjes uit het volksleven, o.m. de «Yzerschieters», (in bezit van de v.z.w. Casino)


Julius Caesar
Gedenkschriften van den Gallischen Oorlog
uit het Latijn door Dr. J. J. Doesburg
Amsterdam. S.L. van Looy / H. Gerlings

VIJFDE BOEK

In het jaar 54 v. Chr. steekt Caesar ten tweeden male naar Britannië over, waarbij zijn vloot een vreeselijken storm heeft te doorstaan. Britannië met zijn bewoners wordt beschreven. Cassivellaunus, de machtigste vorst der Kelten op het eiland, moet zich onderwerpen. Het slot van het boek beschrijft, hoe een reeks Gallische opstanden wordt neergeworpen, en de rust in het land door den dood van Indutiomarus wordt hersteld.

1. Onder het consulaat van Lucius Domitius en Appius Claudius begaf Caesar zich als gewoonlijk uit de winterkwartieren naar Italië en gaf den legaten, die hij aan het hoofd der legioenen had gesteld, bevel, in den loop van den winter zooveel schepen mogelijk te laten bouwen en de oude te herstellen. Hij gaf tevens de constructie en de gedaante ervan aan. Om ze snel te kunnen laden en op het land te kunnen trekken, liet hij ze wat vlakker maken dan onze gewone schepen in de Middellandsche Zee; en dat des te eerder, omdat, naar hij ervaren had, wegens de menigvuldige wisselingen van eb en vloed de golven hier minder hoog gaan. Om des meer ladingen en trekvee over te brengen, liet hij ze wat breeder maken, dan schepen in alle andere zeeën. Het moesten alle roeischepen worden, waarbij hun lage, vlakke bouw goede diensten deed. Het noodige materiaal om ze op te takelen liet hij uit Spanje komen. Na de rechtsdagen in Cisalpijnsch Gallië gehouden te hebben, vertrok Caesar zelf naar Illyrië, omdat hij hoorde, dat het grensgebied der provincie door de invallen der Pirusten werd verwoest. Daar gekomen gaf hij den staten bevel soldaten te leveren, die hij gelastte zich op een bepaalde plaats te verzamelen. Op het bericht daarvan zonden de Pirusten gezanten tot hem, om hem te verklaren, dat niets van het voorgevallene van den staat was uitgegaan; ook toonden zij zich bereid, in elk opzicht voor de gewelddadigheden voldoening te geven. Caesar hoorde hun verzekeringen aan, vorderde gijzelaars en gelastte hun, hem die op een bepaalden dag te brengen; deden zij dat niet, dan verklaarde hij, hen te zullen beoorlogen. De gijzelaars werden, overeenkomstig zijn bevel, op den vastgestelden dag gebracht; hij benoemde daarop scheidsrechters tusschen de staten, om de schade te schatten en de te betalen som vast te stellen.
2. Na deze aangelegenheden geregeld en ook in Illyrië de rechtsdagen gehouden te hebben, keerde Caesar naar Cisalpijnsch Gallië terug en vertrok van daar naar het leger. Na zijn aankomsat bezocht hij alle winterkwartieren en vond, trots het uiterste gebrek aan alle benoodigdheden, door de buitengewone werkzaamheid der soldaten ongeveer zeshonderd schepen van de boven beschreven bouworde, benevens acht en twintig oorlogsschepen, zoo ver uitgerust, dat ze binnen eenige dagen van stapel konden loopen. Hij prees de soldaten en hen, die den arbeid geleid hadden, gaf dezen laatsten verdere bevelen en bepaalde als verzamelplaats der geheele vloot de haven Itius, waaruit men, zooals hij ervaren had, het gemakkelijkst naar Brittannië oversteekt, dat hier slechts ongeveer dertig mijlen van het vasteland verwijderd is. Voor de voorbereiding van den overtocht liet hij een voldoend aantal soldaten achter. Hijzelf brak met vier legioenen zonder bagage en achthonderd ruiters op naar het land der Trevirers, wijl dezen de landdagen niet bezochten, noch zijn bevelen gehoorzaamden en, zooals het gerucht ging, de Germanen van over den Rijn opruiden.
3. Deze staat bezit verreweg de beste ruiterij van geheel Gallië en heeft een groote menigte voetvolk. Hij grenst, zooals boven vermeld is, aan den Rijn. Twee mannen streden hier met elkander om het hoogste gezag, Indutiomarus en Cingetorix. Zoodra Caesar's aankomst met zijn legioenen bekend was, kwam de laatstgenoemde tot hem, met de verzekering, dat hij en al de zijnen trouw zouden blijven en de vriendschap met de Romeinen niet zouden verbreken; tevens maakte hij hem bekend met hetgeen bij de Trevirers voorviel. Indutiomarus daarentegen trok ruiterij en voetvolk samen, bracht hen, die om hun leeftijd de wapenen niet konden dragen, in het Ardennerwoud in veiligheid, dat zich in groote uitgestektheid uitbreidt van den Rijn midden door het land der Trevirers tot de grens der Remers, en begon zich tot den oorlog toe te rusten. Nadat evenwel sommige vorsten van dien staat, deels daartoe gebracht door hun verbindingen met Cingetorix, deels verschrikt door de aankomst van ons leger, tot Caesar waren gegaan en, daar zij voor hun volk niets konden doen, persoonlijk voor zich om genade smeekten, zond ook Indutiomarus, uit vrees door allen in den steek te worden gelaten, gezanten naar Caesar.
Hij had, zoo verklaarde hij, daarom zijn land niet willen verlaten en tot Caesar gaan, om het volk des te gemakkelijker in de toom te houden, opdat niet, als de gansche adel zich verwijderde, de groote hoop uit gebrek aan inzicht een misgreep zou doen. Zoo was dus de staat in zijn macht, en, als Caesar het vergunde, wilde hij bij hem in de legerplaats komen en zijn lot met dat van zijn volk aan zijn genade toevertrouwen.
4. Caesar begreep weliswaar, waarom Indutiomarus thans zoo sprak, en wat hem afschrikte zijn plannen te volvoeren. Daar hij echter niet, nu alle voorbereidingen tot den Britannischen oorlog voltooid waren, den zomer bij de Trevirers nutteloos wilde doorbrengen, beval hij Indutiomarus met tweehonderd gijzelaars tot hem te komen. Toen deze bij hem waren verschenen, onder hen Indutiomarus' zoon en al zijn verwanten, die Caesar uitdrukkelijk ontboden had, sprak hij Indutiomarus vriendschappelijk toe en vermaande hem, trouw te blijven. Niettemin riep hij echter de vorsten der Trevirers tot zich en bracht den een na den ander aan de zijde van Cingetorix. Niet alleen had deze dat verdiend, maar het was ook voor Caesar zelf van groot belang, dat het aanzien van den man, van wiens groote aanhankelijkheid hij zich overtuigd hield, bij zijn landgenoten zooveel gold als maar mogelijk was. Deze handelwijze, namelijk om zijn aanzien bij zijn volk te verzwakken, verdroot Indutiomarus zeer, en was hij reeds vóór dezen ons vijandig gezind, uit wrok hierover werd zijn verbittering nog veel grooter.
5. Nadat Caesar deze dingen had geregeld, marcheerde hij met zijn legioen naar de haven Itius. Daar vernam hij, dat zestig schepen, die in het gebied der Melders waren gebouwd, door een storm teruggeslagen, den koers niet hadden kunnen houden en weer naar de haven, van waar zij uitgeloopen waren, waren teruggekeerd. De overige schepen vond hij gereed om in zee te steken en van al het noodige voorzien. Hier verzamelde zich ook de ruiterij ven geheel Gallië, 4000 man sterk, evenals de vorsten uit alle staten. Caesar had namelijk, uit vrees voor een opstand in zijn afwezigheid, besloten, van hen slechts enkele weinigen, van wier trouw hij verzekerd was, in Gallië achter te laten, de overigen echter als gijzelaars mede te nemen.
6. Onder dezen bevond zich ook de Haeduër Dumnorix, van wien wij reeds vroeger gesproken hebben. Caesar had besloten hem vooral bij zich te houden, wijl hij zijn onrustigen geest, zijn heerschzucht, zijn hoogen moed en zijn groot aanzien bij de Galliërs kende. Daar kwam bij, dat Dumnorix op den landdag der Haeduërs had gezegd, dat Caesar hem tot hun koning wilde maken; een uiting, die de Haeduërs euvel opnamen, ofschoon zij 't niet waagden gezanten tot Caesar te zenden, om zich daartegen te verzetten, of te verzoeken, dat zulks niet geschiedde. Caesar had dit van zijn gastvrienden ervaren. Dumnorix smeekte in 't eerst dringend op alle wijzen, hem in Gallië te laten, deels, omdat hij, ongewoon aan de zeevaart, bang was voor de zee, deels, wijl hij, naar zijn zeggen, door godsdienstige overwegingen werd teruggehouden. Toen hij echter zijn bede hardnekkig geweigerd zag en geen hoop had op hare verwezenlijking, begon hij de Gallische vorsten op te ruien, nam hen één voor één ter zijde, spoorde hen aan, het vasteland niet te verlaten en maakte hen beangst: niet zonder reden wilde men Gallië van zijn ganschen adel berooven; Caesar's plan was, hen allen in Britannië te laten vermoorden, omdat hij niet den moed had, hen voor de oogen der Galliërs te dooden. Te gelijk gaf hij den overigen zijn woord tot pand en verlangde van hen een eed, om naar gemeenschappelijk besluit datgene te verrichten, wat overeenkomstig hun inzichten in 't belang van Gallië was. Met dit een en ander werd Caesar van verscheidene kanten in kennis gesteld.
7. Hiervan onderricht besloot Caesar op alle mogelijke wijzen Dumnorix in bedwang te houden en hem af te schrikken, te meer, omdat hij, Caesar, zelf den staat der Haeduërs een zoo groot aanzien had ingeruimd. En toen hij zag, dat diens dolzinnigheid te ver ging, besloot hij de noodige voorzorg te nemen, dat zij hem en den staat in geen enkel opzicht schaadde. In de vijf en twintig dagen ongeveer, die hij hier doorbracht, omdat de Coruswind, die een goed deel van het geheele jaar in deze streken waait, hem belette zee te kiezen, gaf hij zich moeite Dumnorix in gehoorzaamheid te houden, maar niettemin al zijn plannen te leeren kennen. Eindelijk kwam er een gunstige wind en gaf hij zijn voetvolk en ruiters bevel zich in te schepen; maar terwijl aller gedachten zich daarmee bezig hielden, verliet Dumnorix, buiten weten van Caesar, met de ruiters der Haeduërs langzamerhand de legerplaats en sloeg den weg in naar zijn land. Op het bericht hiervan stelde Caesar zijn vertrek uit en al het overige ter zijde, en zond hem een sterke afdeeling ruiterij achterna, met het bevel hem terug te brengen, of neer te sabelen, indien hij geweld gebruikte en niet gehoorzaamde. Want hij geloofde, dat Dumnorix, die zich in zijn tegenwoordigheid niet bekommerde om zijn bevelen, in zijn afwezigheid zeker in niets verstandig zou handelen. Door de onzen bevolen terug te keeren, weigerde hij, stelde zich persoonlijk te weer en riep den bijstand der zijnen in, terwijl hij herhaaldelijk uitschreeuwde, dat hij een vrij man was en burger van een vrijen staat. De onzen omringden hem, zooals hun was gelast, en doodden hem. De ruiters der Haeduërs echter keerden alle tot Caesar terug.
8. Hierop liet Caesar Labienus met drie legioenen en twee duizend ruiters op het vasteland achter, om de havens te beschermen, voor den toevoer van levensmiddelen te zorgen en een waakzaam oog te houden op Gallië en naar tijd en omstandigheden maatregelen te nemen. Hijzelf stak met vijf legioenen en even zooveel ruiterij, als hij op het vasteland had achtergelaten, met zonsondergang in zee. Bij een zwakken z. w. wind uitgevaren, kon hij, daar er ongeveer te middernacht windstilte kwam, zijn koers niet houden en, door den vloed verder afgedreven, zag hij bij het aanbreken van den dag Britannie aan zijn linkerhand achter zich. Hij volgde thans wederom den veranderden stroom en liet met alle inspanning roeien, om die kust van het eiland te bereiken, waar, naar zijn ervaring in den vorigen zomer, de landing het best geschieden kon. Den hoogsten lof waardig was daarbij de volharding onzer soldaten, die met de zware transportschepen zoo voortdurend en ingespannen roeiden, dat zij met de oorlogsschepen gelijk bleven. Ongeveer met den middag naderde de geheele vloot de Britsche kust, en geen vijand liet zich zien. Wel is waar had zich, zooals Caesar later van krijgsgevangenen vernam, een sterke macht hier verzameld, maar door den aanblik van onze talrijke schepen ontsteld - met die van het vorige jaar en die schepen, welke enkelen zich voor hun gemak hadden laten bouwen, kwamen er meer dan 800 gelijktijdig in 't gezicht - waren zij van de kust weggegaan en hadden zich naar de hoogten teruggetrokken.
9. Caesar zette de troepen in land en zocht een geschikte plaats voor het legerkamp uit. Na van gevangenen gehoord te hebben, waar de vijand had stelling genomen, brak hij, met achterlating van tien cohorten en driehonderd ruiters aan het strand, om de schepen te beschermen, met het begin der derde nachtwake tegen den vijand op. Voor de schepen koesterde hij te minder bezorgdheid, omdat hij ze voor anker aan een zacht oploopend strand achterliet. Het bevel over de bedekking der vloot droeg hij op aan Quintus Atrius. Na een nachtelijken marsch van ongeveer twaalf mijlen zag hij de vijanden. Deze rukten met hun ruiterij en strijdwagens voort tot een rivier, vingen uit hun hooger gelegen stelling aan, de onzen af te weren en begonnen den kamp. Door onze ruiterij teruggeworpen, trokken zij zich in de wouden terug, waar zij een door natuur en kunst uitstekend versterkte stelling bezetten, die zij, naar het scheen, reeds vroeger ter oorzake van binnenlandsche oorlogen hadden ingericht, want alle toegangen waren door talrijke gevelde boomen afgesloten. Zijzelf kwamen in kleine afdeelingen uit de bosschen tot den strijd te voorschijn en verhinderden de onzen binnen hun verschansingen te dringen. Maar de soldaten van het zevende legioen vormden een schilddak, wierpen een aarden wal op tegen de verschansingen, namen de stelling en joegen den vijand met gering verlies uit de bosschen. Caesar verbood hun echter de vluchtenden verder te vervolgen, deels, omdat hij de streek niet kende, deels, omdat hij, daar al een groot deel van den dag voorbij was, nog tijd wilde overhouden voor de verschansing der legerplaats.
10. Den volgenden morgen zond Caesar voetvolk en ruiterij in drie richtingen uit ter vervolging der vluchtenden. Toen zij een eindweegs waren voortgerukt en de achterhoede des vijands reeds in 't gezicht hadden, kwamen ruiters van Quintus Atrius tot Caesar met het bericht, dat in den laatsten nacht door een zeer hevigen storm bijna alle schepen beschadigd en gestrand waren, daar noch ankers of touwen hielden, noch matrozen en stuurlieden het geweld van den storm op de schepen hadden kunnen uithouden. En zoo was door dat samenstooten der schepen groot nadeel aangericht.
11. Op het vernemen hiervan gaf Caesar den legioenen en ruiters bevel, om te keeren en zich tegen mogelijke aanvallen van den vijand te weer te stellen, zonder den terugmarsch te staken. Hijzelf keerde naar de vloot terug en zag nu met eigen oogen ongeveer hetzelfde, wat men hem mondeling en schriftelijk had bericht: veertig schepen ten naastenbij waren verloren, de overige echter schenen, hoewel met veel moeite, hersteld te kunnen worden. Derhalve liet hij behalve de handwerkslieden, die hij uit de legioenen koos, nog andere van het vasteland overkomen; aan Labienus schreef hij, dat hij door zijn legioenen zooveel schepen mogelijk moest laten bouwen. Ofschoon het veel arbeid en moeite kostte, achtte hij het toch het raadzaamst, alle schepen op het strand te trekken en ze met de legerplaats in ééne verschansing in te sluiten. Ongeveer tien dagen gingen met dat werk heen, ofschoon de soldaten zelfs 's nachts niet den arbeid staakten. Toen de schepen op het land waren getrokken en de legerplaats uitmuntend verschanst was, liet hij dezelfde troepen, als den vorigen keer, ter beveiliging der vloot achter en marcheerde hijzelf daarheen, vanwaar hij was teruggekeerd. Daar gekomen vond hij reeds grootere troepenmassa's der Britanniërs van alle kanten op dat punt vereenigd; het opperbevel en de algemeene leiding had men volgens gemeenschappelijk besluit opgedragen aan Cassivellaunus, wiens gebied van de kuststaten door de rivier de Tamesis (Theems) wordt gescheiden, ongeveer tachtig mijlen van de zee. Cassivellaunus had weliswaar tot dusver met de andere staten in voortdurenden oorlog verkeerd, maar ten gevolge van onze aankomst hadden zij hem de gansche leiding van den oorlog opgedragen.
12. Het binnenland van Britannië wordt bewoond door volksstammen, die de oude overlevering de oorspronkelijke inwoners van het eiland noemt; de zeekust door Belgen, die uit roof- en krijgslust zijn overgekomen. Deze laatsten dragen haast alle nog den naam der staten, waartoe zij naar afstamming behooren en uit welke zij naar Britannië zijn gekomen. Na den oorlog zijn zij er gebleven en begonnen, zich aan den landbouw te wijden. Het getal inwoners is onbegrensd, de hoeven, die in den regel aan de Gallische gelijk zijn, allertalrijkst, de veestapel groot. Voor geld gebruiken zij koperen of ijzeren staafjes van een bepaald gewicht. In het binnenland wordt tin gevonden, in de kuststreken ijzer, echter in geringe hoeveelheid; het koper wordt ingevoerd. Allerlei houtsoorten levert het land op, evenals Gallië, behalve den beuk en den den. Hazen, kippen en ganzen te eten achten zij zonde; echter houden zij deze dieren voor hun vermaak en genoegen. Het klimaat is zachter dan in Gallië, de koude minder streng.
13. Het eiland heeft den vorm van een driehoek, welks ééne zijde tegen Gallië is gekeerd. De eene hoek van deze zijde, bij Cantium (Kent), waar bijna alle schepen uit Gallië landen, ligt tegen het oosten, de andere, lager, tegen het zuiden. Deze zijde is ongeveer 500 mijlen lang. De andere zijde heeft haar richting naar Spanje en het westen heen; aan deze ligt Hibernië (Ierland), naar schatting de helft kleiner dan Britannië, maar even ver van Britannië, als dit van Gallië verwijderd is. Midden op de vaart daarheen ligt het eiland Mona (Man); nog meerdere kleinere eilanden zullen hier liggen, op welke, volgens eenige schrijvers, het in den winter dertig dagen aaneen nacht is. Wij hebben bij onze navorschingen niets daarvan ervaren, dan dat wij uit nauwkeurige metingen met het wateruurwerk zagen, dat de nachten korter waren dan op het vasteland. De lengte van deze zijde is, volgens de meening van die schrijvers, 700 mijlen. De derde zijde ligt tegen het noorden en heeft geen land tegenover zich; haar ééne hoek is het meest naar Germanië gekeerd; haar lengte schat men op 800 mijlen. De omvang van het gehele eiland bedraagt alzoo twee duizend mijlen.
14. Van alle volken van het eiland zijn de bewoners van Cantium, geheel een kustland, verreweg het beschaafdst en in leefwijze weinig verschillend van de Galliërs. De bewoners van het binnenland hebben meerendeels geen graanbouw, maar leven van melk en vleesch en kleeden zich met huiden. Alle Britanniërs echter verven zich met weede, wat een blauwe kleur geeft, en daardoor zien zij in den slag er des te verschrikkelijker uit. Het hoofdhaar laten zij groeien, overigens scheren zij, uitgenomen hoofd en bovenlip, het geheele lichaam glad. Met hun tienen of twaalven hebben zij de vrouwen gemeenschappelijk, vooral broeders met broeders en vaders met hun zonen; maar de kinderen uit deze huwelijken worden toegekend aan hem, die de moeder het eerst als jonkvrouw naar zijn huis heeft geleid.
15. De vijandelijke ruiterij en de strijdwagens geraakten met onze ruiterij op den marsch in een hevig gevecht. De onzen behielden echter op alle punten de overhand en dreven hen terug naar de bosschen en heuvels. Hun verlies was vrij groot, maar ook de onzen leden, daar zij hen wat al te vurig nazetten, eenig verlies. Na eenigen tijd, terwijl de onzen er niet op verdacht en bezig waren met het verschansen der legerplaats, stormden de vijanden plotseling uit de bosschen te voorschijn en deden op de wachtposten vóór de legerplaats een hevigen aanval. Hardnekkig werd er gestreden. Caesar zond twee cohorten, en dat wel de eerste van twee legioenen, te hulp. Toen deze zich reeds op een geringen afstand van elkander hadden opgesteld, braken de vijanden bij de ontsteltenis, die zich van de onzen door de ongewone vechtwijze des vijands had meester gemaakt, met de grootste stoutmoedigheid midden door hen heen en trokken zich ongedeerd weder terug. Op dien dag sneuvelde de krijgstribuun Quintus Laberius Durus. Nadat meerdere cohorten in het gevecht waren gezonden, werden de vijanden eindelijk teruggedreven.
16. In dit geheel eigenaardig soort van gevecht, dat onder aller oogen en voor de legerplaats plaats greep, bleek, dat de onzen wegens hun zware bewapening tegen vijanden van dezen aard minder deugden, daar zij de vluchtenden niet konden vervolgen, noch het waagden buiten rij en gelid te strijden. Voor onze ruiterij echter was deze wijze van slagleveren zeer gevaarlijk, daar de vijanden meestal zelfs met opzet weken en wanneer zij daardoor onze ruiters een weinig van de legioenen hadden weggelokt, van hun strijdwagens sprongen en te voet een ongelijken kamp begonnen. Een regelmatig ruitergevecht echter was voor de onzen, hetzij zij weken, hetzij zij vervolgden, even gevaarlijk. Daarbij kwam, dat de vijanden nooit in gesloten linie, maar in afzonderlijke, met groote tusschenruimten van elkaar gescheiden, afdeelingen, streden en kleine posten hier en daar hadden staan, om elkander wederkeerig achtereenvolgens af te lossen en de frissche en onvermoeide manschappen de plaats der vermoeiden te doen innemen.
17. Den volgenden dag namen de vijanden stelling op de heuvels ver van onze legerplaats, vertoonden zich slechts in afzonderlijke afdeelingen en tartten onze ruiters, hoewel niet zoo heftig als den vorigen dag, een gevecht te beginnen. Maar op den middag, toen Caesar drie legioenen en de geheele ruiterij onder den legaat Gajus Trebonius had uitgezonden om te gaan fourageeren, stormden zij plotseling van alle kanten op deze troepen los, zoodat zij zelfs voor de in slagorde opmarcheerende legioenen niet teruggingen. De onzen wierpen hen door een heftigen aanval terug en staakten de vervolging niet, zoolang onze ruiters, steunende op de legioenen, die zij achter zich zagen, hen in dolle vlucht voor zich heen joegen. Onze troepen hieuwen er bij menigte neer en gaven hun geen gelegenheid zich te verzamelen, halt te maken, of van de wagens te springen. Na deze nederlaag verstrooiden zich de overal vandaan samengekomen hulptroepen, en van dezen tijd af hebben de vijanden nooit meer met voltallige troepenmacht tegen ons gestreden.
18. Caesar kende dit besluit en rukte nu met zijn leger op tegen het gebied van Cassivellaunus aan de Tamesis, die men slechts op één punt, en dan nog met moeite, kan oversteken. Daar bemerkte Caesar aan den anderen oever talrijke massa's vijanden in slagorde opgesteld. De oever was door spitse palen, die aan den rand ervan waren ingeslagen, beveiligd; andere palen van dezelfde soort waren in het water zelf ingeheid en hierdoor bedekt. Caesar vernam dat van gevangenen en overloopers; hij zond de ruiterij vooruit en beval, dat de legioenen deze dadelijk zouden volgen. Hoewel tot den hals in het water, rukten onze soldaten met zulk een snelheid en onstuimigheid voorwaarts, dat de vijand den aanval der legioenen en der ruiterij niet kon weerstaan, de oevers prijs gaf en op de vlucht sloeg.
19. Na, als boven gezegd, alle hoop op een beslissend gevecht te hebben opgegeven, zond Cassivellaunus het grootste deel zijner troepen weg, en hield ongeveer vier duizend strijdwagens bij zich, waarmee hij onze marschen in 't oog hield. Hij verwijderde zich slechts op geringen afstand van den heirweg, verschool zich in ontoegankelijke en boschachtige oorden en liet uit alle streken, waardoor wij, zooals hij bemerkt had, onzen weg zouden nemen, het vee en de menschen van de velden naar de bosschen drijven. Wanneer nu onze ruiterij zich wat te driest over de velden uitbreidde om te plunderen en te verwoesten, dan deed hij zijn strijdwagens langs alle wegen en paden uit de bosschen uitrukken en bracht haar door zijn aanval in groot gevaar. Dat schrikte haar af, de plundertochten verder uit te strekken. Er bleef niets anders over, dan dat Caesar de ruiterij niet toeliet zich te ver van het hoofdleger der legioenen te verwijderen, en dat door het verwoesten van het land en het in brand steken van wat brandbaar was den vijanden zooveel schade werd berokkend, als de legioensoldaten door hun inspanning en op den marsch konden doen.
20. Ondertusschen zonden de Trinobanten, ongeveer de machtigste stam in die streken, uit welken de jonge Mandubracius stamde, die zich onder Caesars bescherming gesteld en tot hem naar Gallië op het vasteland was gekomen, gezanten tot Caesar, beloofden hem onderwerping en gehoorzaamheid en verzochten hem, Mandubracius tegen de gewelddadigheden van Cassivellaunus te beschermen en tot hen te zenden, om aan hun hoofd te staan en het opperbevel te bekleeden. De vader van Mandubracius namelijk was koning der Trinobanten geweest en door Cassivellaunus gedood, hijzelf was door de vlucht aan den dood ontkomen. Caesar verlangde van hen veertig gijzelaars, koorn voor zijn leger en zond Mandubracius tot hen. Zij brachten zijne bevelen spoedig ten uitvoer en zonden gijzelaars in het bepaalde aantal, benevens graan.
21. Nadat Caesar de Trinobanten in bescherming had genomen (tegen Cassivellaunus) en hen tegen alle geweld zijner soldaten had beveiligd, zonden ook de Cenimagners, Segontiakers, Ancalieten, Bibrokers, Cassers gezanten aan Caesar en boden hem hun onderwerping aan. Van hen vernam Caesar, dat de stad van Cassivellaunus in de nabijheid was; door bosschen en moerassen beveiligd, was zij het toevluchtsoord voor een groote menigte menschen en vee geworden. "Stad" noemen 't de Britten, wanneer zij ontoegankelijke bosschen door wallen en grachten hebben bevestigd, waarheen zij plegen te vluchten, om zich tegen den vijandelijken inval te beschermen. Daarheen rukte nu Caesar met zijn legioenen op; hij vond de plaats door natuur en kunst uitmuntend bevestigd; toch ondernam hij den aanval van twee kanten. De vijand hield een korten tijd stand, kon echter den aanval onzer soldaten niet uithouden en redde zich aan den anderen kant uit de stad. Een groote menigte vee vond men er; op de vlucht werden velen gegrepen en neergehouwen.
22. Terwijl dit hier voorviel, zond Cassivellaunus boden naar Cantium, - het landschap dat, als boven gezegd, aan de kust ligt en waarover vier koningen, Cingetorix, Carvilius, Tazimagulus en Segovax regeeren, - en beval hun met hun gansche strijdmacht onverwachts het schepenkamp aan te vallen en te bestormen. Toen zij bij de legerplaats waren gekomen, deden de onzen een uitval, doodden velen hunner, namen ook een voornaam aanvoerder Lugotorix gevangen, waarna zij zonder eenig verlies naar de legerplaats terugtrokken. Op het bericht van dit gevecht zond Cassivellaunus, daar hij zoovele nederlagen had geleden en zijn gebied verwoest was, maar vooral daartoe bewogen door den afval der andere staten, gezanten tot Caesar, om hem door bemiddeling van den Atrebaat Commius zijn onderwerping aan te bieden. Caesar zijnerzijds, besloten wegens de onverwachts in Gallië uitgebroken onlusten den winter op het vasteland door te brengen - de zomer was haast voorbij en de rest zou, begreep hij, gemakkelijk gerekt kunnen worden - beval hem gijzelaars te stellen en bepaalde de schatting, welke Britannië jaarlijks aan Rome moest betalen. Tevens verbood hij Cassivellaunus nadrukkelijk, tegen Mandubracius en de Trinobanten vijandelijkheden te plegen.
23. Nadat de gijzelaars waren in ontvangst genomen, keerde Caesar met zijn leger naar de kust terug, waar hij de schepen gerepareerd vond. Toen zij in het water waren gebracht, verordende hij, dat het leger in twee transporten zou worden teruggevoerd, omdat hij een groote menigte gevangenen had en sommige schepen door den storm verloren waren gegaan. En nu trof het zóó, dat van een zoo groot aantal schepen bij zoovele vaarten, heen en weer, noch in dit, noch in het vorige jaar ook maar één schip met troepen aan boord verloren ging, terwijl daarentegen van de schepen, die leeg van het vasteland terugkeerden, zoowel van die van het eerste transport, nadat de soldaten daar ontscheept waren, als van die, welke Labienus ten getale van zestig later had laten bouwen, zeer weinige de plaats van bestemming bereikten, en de overige bijna alle werden teruggeslagen. Tevergeefs wachtte Caesar eenigen tijd op deze. Opdat hem nu niet bij de naderende dag- en nachtevening door den tijd des jaars de terugvaart onmogelijk werd gemaakt, was hij genoodzaakt zijne soldaten wat beperkter te huiswesten, en stak met het kalmste weder bij het begin der tweede nachtwake in zee. Bij het aanbreken van den dag bereikte hij het land, zonder één schip verloren te hebben.

24. Nadat Caesar de schepen op het land had laten trekken, hield hij een landdag der Galliërs te Samarobriva en legde dan zijn leger in de winterkwartieren. Doch omdat dat jaar in Gallië wegens de droogte de oogst slecht was uitgevallen, zag hij zich genoodzaakt dat anders in te richten dan gewoonlijk en de legioenen over meer staten te verdeelen. Eén legioen liet hij door den legaat Gajus Fabius naar de Moriners brengen, het tweede door Quintus Cicero naar de Nerviërs, het derde door Lucius Roscius naar de Esubiërs, het vierde moest onder Titus Labienus bij de Remers aan de grenzen der Trevirers overwinteren; drie legioenen, waarover hij het bevel opdroeg aan den quaestor Marcus Crassus en de legaten Lucius Munatius Plancus en Gajus Trebonius, verlegde hij naar België. Eén legioen, dat hij pas aan gene zijde van den Padus (Po) had opgericht, en vijf cohorten zond hij naar de Eburonen, wier land grootendeels tusschen de Maas en den Rijn ligt, en die onder de heerschappij van Ambiorix en Catuvolcus stonden. Aan de spits dezer soldaten stelde hij de legaten Titurius Sabinus en Lucius Aurunculejus Cotta. Door deze verdeeling der legioenen meende Caesar het gemakkelijkst het gebrek aan koorn te kunnen voorkomen. En toch waren de winterkwartieren van alle deze legioenen, behalve van dat, hetwelk onder Lucius Roscius naar het vreedzaamste en rustigste deel van Gallië was gegaan, niet verder dan honderd mijlen van elkander verwijderd. Caesar zelf intusschen besloot zoolang in Gallië te blijven, tot hij zekerheid had, dat de legioenen ondergebracht en de winterkwartieren versterkt waren.
25. Bij de Carnuten leefde een man van hoogen adel, Tasgetius met name, wiens voorvaderen in zijn staat de koninklijke heerschappij hadden bezeten. Hem had Caesar, zoowel tot erkenning van zijn vastberadenheid en van zijn goede gezindheid jegens hem, als omdat hij Caesar in al zijn oorlogen uitstekende diensten had bewezen, in de waardigheid zijner vaderen hersteld. Reeds regeerde hij in het derde jaar, als zijn vijanden, zelfs in openlijke verstandhouding met velen zijner medeburgers, hem door moord uit den weg ruimden. Dit werd Caesar bericht, die, daar velen in de zaak waren verwikkeld, vreesde, dat de staat door hen tot afval zou worden verlokt. Daarom beval hij Lucius Plancus, met zijn legioen snel uit België naar het land der Carnuten te rukken, daar zijn winterkwartieren op te slaan en hen, die hij schuldig bevonden had aan den moord van Tasgetius, te grijpen en op te zenden. Middelerwijl ontving hij van alle legaten en quaestoren, aan wie hij de legioenen had toevertrouwd, bericht, dat men in de winterkwartieren was aangekomen en die met versterkingen had voorzien.
26. Vijftien dagen ongeveer, nadat men de winterkwartieren had betrokken, gaven Ambiorix en Catuvolcus het teeken tot plotselingen opstand en afval. Zij hadden zich weliswaar op de grens van hun gebied ter beschikking gesteld van Sabinus en Cotta en koorn in de legerplaats geleverd, maar thans brachten zij, door boodschappen van den Trevirer Indutiomarus daartoe aangezet, de hunnen in oproer, overvielen plotseling onze houthakkers en verschenen met veel volk voor onze legerplaats, om ze te bestormen. Snel grepen de onzen naar de wapenen en bezetten den wal; de Spaansche ruiters deden aan den eenen kant een uitval en bleven overwinnaars in een gevecht met de vijandelijke ruiterij. Wanhopende aan hun zaak lieten de vijanden van de bestorming af. Toen schreeuwden zij luide naar hun gewoonte, dat eenigen der onzen uit de legerplaats zouden komen tot een onderhoud; zij hadden mededeelingen te doen in beider belang, waardoor, zooals zij hoopten, de geschillen konden worden bijgelegd.
27. Men zond tot dit onderhoud Gajus Arpinejus, een Romeinsch ridder en vriend van Quintus Titurius, en een Spanjaard Quintus Junius, die reeds vroeger in opdracht van Caesar dikwijls met Ambiorix had verkeerd. Tot hen sprak Ambiorix op deze wijze: "Hij bekende, Caesar zeer veel verplicht te zijn voor diens bewijzen van welwillendheid. Want door hem was hij van de schatting, die hij den Aduatuken, zijn naburen, tot dusver had moeten betalen, bevrijd; Caesar had hem zijn zoon en zijn neef weergegeven, die de Aduatuken als gijzelaars hadden gekregen en als slaven en gevangenen hadden behandeld. Den aanval op de Romeinsche legerplaats had hij niet naar eigen besluit en wil, maar door zijn volk gedwongen ondernomen, en zijn heerschappij was van dien aard, dat de groote menigte niet minder macht had over hem, dan hij over de massa. Verder was voor zijn volk dit de reden van den oorlog geweest, dat het zich niet tegen de plotselinge schildverheffing der Galliërs had kunnen verzetten. Daarvoor was zijn eigen onmacht het beste bewijs; want hij was niet zoo kortzichtig, om zich in te beelden, dat hij Rome met zijn macht kon overwinnen. Het was echter een algemeen besluit van alle Galliërs; deze dag was er voor bestemd, om alle winterkwartieren van Caesar te gelijk aan te grijpen, opdat niet het eene legioen aan het andere kon te hulp komen. Galliërs hadden het anderen Galliërs niet gemakkelijk kunnen weigeren, vooral, daar het bij dit besluit scheen te handelen om het herstel der algemeene vrijheid. Voor hen had hij nu als vaderlander genoeg gedaan; thans hield hij rekening met zijn verplichtingen aan Caesar voor diens bewijzen van welwillendheid; hij vermaande en smeekte Titurius bij zijn gastvriendschap, bedacht te zijn op zijn redding en die zijner soldaten. Een groote schaar voor loon gehuurde Germanen was over den Rijn gegaan; binnen twee dagen zouden zij hier zijn. De Romeinen zelf hadden te beslissen, of zij niet, voor de naburen het bemerkten, de troepen uit de winterkwartieren en naar Cicero of Labienus zouden voeren, van wie de een ongeveer vijftig mijlen, de ander iets verder van hen verwijderd was. Hij voor zich gaf de belofte en verzekerde onder eede, dat hij hun een veiligen doortocht door zijn gebied zou verschaffen. Dat doende zorgde hij voor het belang van zijn volk, dat daardoor van den last der winterkwartieren werd bevrijd, en toonde hij zich dankbaar aan Caesar wegens diens aan hen bewezen diensten." Na deze rede verwijderde Ambiorix zich.
28. Arpinejus en Junius berichtten den legaten, wat zij vernomen hadden. Verbluft door de onverwachte gebeurtenis, meenden zij de mededeelingen, ofschoon zij van den vijand kwamen, echter niet onopgemerkt te moeten laten. Den meesten indruk maakte het op hen, dat het nauwelijks scheen te gelooven, dat het onaanzienlijke en onbeduidende volk der Eburonen 't uit eigen beweging gewaagd had het Romeinsche volk den oorlog aan te doen. De legaten riepen derhalve een krijgsraad bijeen, en hier ontstond een hevige strijd. Lucius Aurunculejus en de meerderheid der krijgstribunen en centurio's van den eersten rang waren van meening, dat men niet te onbezonnen moest handelen en zonder Caesar's bevel de winterkwartieren niet moest verlaten; zij verklaarden, dat men in het verschanste legerkamp zich tegen elke strijdmacht der Germanen, hoe groot ook, kon staande houden; een bewijs daarvoor was de eerste aanval, dien men op het dapperst, en bovendien met groot verlies van den vijand, had afgeweerd. Aan levensmiddelen ontbrak het niet; middelerwijl zou zoowel van de naaste winterkwartieren als van Caesar zelf hulp komen; eindelijk, was was gewetenloozer of schandelijker, dan in zulk een hoogst gewichtige zaak een besluit te nemen overeenkomstig den raad des vijands?
29. Daartegen ijverde Titurius: "Men zou te laat komen, als zich eerst grootere scharen vijanden, in verbinding met Germanen, hadden vereenigd, of wanneer men in de naaste winterkwartieren een nederlaag had geleden. Kort was de tijd van beraad. Caesar was, zoo meende hij, al naar Italië afgereisd, anders zouden de Carnuten niet het plan hebben opgevat Tasgetius te vermoorden; evenmin zouden de Eburonen, ware Caesar nog in Gallië, met zulk een geringschatting der onzen de legerplaats hebben aangevallen. Hij lette niet op hetgeen de vijand beweerde, maar op den werkelijken toestand. De Rijn was dichtbij, de Germanen waren vol wrok over Ariovistus' dood en onze vroegere overwinningen; Gallië, dat onder zooveel deemoediging door Rome was onderworpen, en zijn ouden krijgsroem had verloren, was hevig verbitterd. Ten slotte, wie kon zich inbeelden, dat Ambiorix zonder zeker te zijn van zijn zaak 't zou gewaagd hebben zulk een besluit te nemen? Zijn voorslag was in ieder der beide mogelijk gevallen het veiligst: was 't er niet zoo erg mee gesteld, dan zou men zonder gevaar het naaste legioen bereiken; maakte geheel Gallië met de Germanen gemeene zaak, dan was door een snellen aftocht alleen redding te vinden. Welk gevolg zou de tegenovergestelde voorslag van Cotta en van de anderen hebben? Dreigde van dat plan geen oogenblikkelijk gevaar, voorzeker was toch een langdurig beleg en als gevolg daarvan hongersnood te vreezen".
30. Nadat over het voor en tegen was gestreden, terwijl Cotta en de centurio's van den eersten rang hardnekkig volhardden bij hun meening, riep Sabinus, en wel met luider stem, zoodat een groot gedeelte der soldaten het hoorde, uit: "gij zult uw zin hebben; ik ben het niet, die het meest onder u het doodsgevaar vrees. De soldaten zullen verstandiger zijn en van u rekenschap vorderen, indien ons een ongeluk overkomt, zij, die, hadt gij er u niet tegen verzet, reeds overmorgen in het volgende winterkwartier aangekomen, met hun makkers vereenigd, het oorlogslot met hen zouden kunnen deelen, en niet, verwijderd en gescheiden, ver van de anderen door het zwaard of door den honger zouden omkomen."
31. De krijgsraad werd opgeheven. Men vatte beide legaten bij de hand en smeekte hen, door hun tweedracht en halsstarrigheid den toestand niet allergevaarlijkst te maken. Of men bleef, of opbrak, de toestand was zonder gevaar, indien slechts allen eenstemmig en eendrachtig waren; in verdeeldheid daarentegen was geen heil te zien. De redetwist duurde tot middernacht. Eindelijk liet Cotta zich bewegen toe te geven. De voorslag van Sabinus zegevierde; er werd bekend gemaakt, dat men met het aanbreken van den dag zou opbreken. De rest van den nacht werd wakende doorgebracht, daar elk soldaat zijn goed monsterde, om te zien, wat hij kon meenemen, of wat hij van zijn winteruitrusting moest achterlaten. Men zocht alle redenen uit te denken, waarom het gevaarlijk zou zijn te blijven en waarom het gevaar door de afmatting en de voortdurende nachtwaken der troepen nog zou stijgen. Met het krieken van den dag rukte men de legerplaats uit op een wijze, alsof de raad daartoe niet door een vijand, maar door Ambiorix als den besten vriend gegeven waren, namelijk in een zeer lange kolonne en met een ongehoord grooten tros.
32. Nadat de vijanden aan het rumoer en aan de drukte gedurende den nacht hadden bemerkt, dat men zich tot den aftocht gereed maakte, verdeelden zij hun leger in tweeën, legden in de bosschen op een geschikte en verborgen plaats een hinderlaag en wachtten daar, ongeveer twee mijlen van de legerplaats, de aankomst der Romeinen af. Toen nu het grootste deel van ons leger in een lang dal was afgedaald, kwamen onze vijanden plotseling aan beide zijden van dat dal te voorschijn, begonnen de achterhoede in het nauw te brengen, de spits te verhinderen den tegenoverliggenden bergpas te bestijgen en grepen nu de onzen op een voor hen allerongunstigst terrein aan.
33. Thans eerst werd Titurius, die op niets vooruit bedacht was geweest, onrustig, liep haastig heen en weder, liet de cohorten in gevechtstelling opmarcheeren, maar hij deed zelfs dit zoo angstig, dat het scheen, of hij het hoofd had verloren, zooals dat gewoonlijk overkomt aan menschen, die midden in het handelen een besluit moeten nemen. Cotta daarentegen, die aan de mogelijkheid van zulk eene gebeurtenis op den marsch had gedacht en daarom den aftocht uit de legerplaats had afgekeurd, was in alle opzichten bedacht op aller redding; in het toespreken en opwekken der soldaten vervulde hij de plichten eens veldheers, in het gevecht die van een gewoon soldaat. Daar zij beiden wegens de lengte van de kolonne niet goed alles persoonlijk konden doen en ook niet konden overzien, wat op elk punt moest verricht worden, gaven zij bevel, de bagage achter te laten en een carré te vormen. En ofschoon nu in zulk een geval deze maatregel juist niet te berispen is, zoo had 't toch dit nadeel, dat het vertrouwen onzer soldaten er door werd verzwakt en de vijand te overmoediger werd, omdat dit besluit niet dan door de uiterste vrees en vertwijfeling scheen ingegeven te zijn. Daarbij kwam nog, wat niet kon uitblijven, dat namelijk de soldaten overal de gelederen verlieten en naar de bagage ijlden, om daarvan weg te halen en weg te slepen, wat ieder van hen het liefst was. De lucht werd vervuld van geschreeuw en gejammer.
34. Maar de barbaren namen ook hun maatregelen. Hun aanvoerders lieten in 't gansche leger bekend maken, dat niemand van zijn plaats zou gaan; alles wat de Romeinen hadden achtergelaten was en bleef hun buit; zij moesten deswege bedenken, dat alles van de overwinning afhing. De onzen waren door dapperheid en getal tegen den strijd opgewassen. Schoon door hun veldheer en door het geluk verlaten, stelden zij echter hun gansche hoop op hun dapperheid; telkens waar een cohorte uit het carré vooruitstormde, daar richtte zij een bloedbad onder de vijanden aan. Toen Ambiorix dit bemerkte, gaf hij bevel, de Romeinen alleen uit de verte te beschieten, hen niet te dicht te naderen, en waar zij ten aanval voorwaarts drongen, terug te wijken; bij hun lichte wapenrusting en dagelijksche oefening konden de Romeinen hun geen nadeel doen; begaven dezen zich weder naar hun vanen terug, dan moesten zij hen vervolgen.
35. Dit bevel werd op 't nauwkeurigst opgevolgd. Zoodra en telkens als een cohorte uit het carré ten aanval voorwaarts rukte, namen de vijanden snel de wijk. Ondertusschen moest zulk een cohorte noodzakelijk zich blootgeven en haar open flank prijsgeven aan de vijandelijke werpspiesen. Begon zij dan weder naar haar oorspronkelijke stelling in het carré terug te keeren, dan werd zij zoowel door de achteruitgewekenen als door de in de nabijheid staan gebleven vijanden omsingeld. Wilde men echter in het carré blijven staan, dan had men noch gelegenheid zijn dapperheid te toonen, noch, zich in gesloten linie te beveiligen tegen de door zulk een overmacht geworpen spiesen. Toch hielden de onzen, trots zooveel tegenspoed, trots talrijke wonden stand en hadden, toen reeds een groot deel van den dag was verstreken - de slag duurde van het aanbreken van den morgen tot de achtste ure - niets gedaan, wat hunner onwaardig was. Nu werd Titus Balventius, die in het vorige jaar de aanvoerder der eerste centurie geweest was, een man van groote dapperheid en van hoog aanzien, met een werpspies door beide dijen geschoten. Quintus Lucanius, die denzelfden rang bekleedde, vond, met ongemeene dapperheid strijdende, den dood, terwijl hij zijn door den vijand omringden zoon te hulp kwam, en de legaat Lucius Cotta werd op het oogenblik, dat hij van cohorte tot cohorte, van centurie tot centurie ging, om ze aan te moedigen, door een slingersteen vlak in 't gezicht gewond.
36. Dit alles bewoog Quintus Titurius, aan Ambiorix, dien hij in de verte zijn troepen zag toespreken, zijn tolk Gnaeus Pompejus te zenden, met de bede, hem, Titurius, en zijn soldaten te sparen. Ambiorix gaf op deze bede ten antwoord, dat hij hem een onderhoud wilde toestaan; hij hoopte van zijn volk gedaan te kunnen krijgen, dat de soldaten werden verschoond; Titurius zelf zou geen leed geschieden; daarop gaf hij hem zijn woord. Titurius deelde dit den gewonden Cotta mede, en vroeg hem, of het niet raadzaam scheen, dat zij beiden uit het gevecht zouden gaan en met Ambiorix spreken; hij hoopte genade voor zich en de troepen te verkrijgen. Cotta verklaarde, dat hij niet tot een gewapenden vijand ging, en hij bleef daarbij.
37. Sabinus beval aan de krijgstribunen en centurio's van den hoogsten rang, die juist in zijn nabijheid waren, hem te volgen. Toen hij Ambiorix was genaderd, werd hem gelast de wapenen af te leggen; hij gaf er gehoor aan en beval den zijnen hetzelfde te doen. Terwijl men nu met elkander over de voorwaarden onderhandelde en Ambiorix met opzet het onderhoud rekte, werd Titurius intusschen langzamerhand omringd en eindelijk neergestooten. Nu echter deden de vijanden naar hun gewoonte een overwinningskreet hooren, hieven een gehuil aan, vielen de onzen aan en brachten de gelederen in wanorde. Hier vielen Lucius Cotta en het grootste deel der soldaten, met de wapenen in de vuist; de overigen trokken zich in de verlaten legerplaats terug. De adelaardrager Lucius Petrosidius, door een overmacht van vijanden in 't nauw gebracht, wierp den adelaar over den wal in de legerplaats en stierf vóór de legerplaats den heldendood. Met moeite verdedigden zij de legerplaats, tot de nacht inviel. Zonder uitzondering beroofden zich allen, aan redding wanhopende, in den nacht van het leven. Weinigen, die uit den slag zelf waren ontkomen, bereikten langs onbetrouwbare wegen door de bosschen de winterkwartieren van den legaat Titus Labienus en berichtten hem, wat geschied was.
38. Trotsch op deze overwinning trok Ambiorix terstond op met zijn ruiterij naar de Aduatuken, zijn naburen, zette zijn marsch dag en nacht voort, en beval het voetvolk hem te volgen. Na door zijn voorstelling der zaak de Aduatuken te hebben meegesleep, begaf hij zich den volgenden dag naar de Nerviërs en wekte hen op, de gelegenheid niet ongebruikt te laten, om zich voor altijd vrij te maken en zich voor het geleden onrecht op de Romeinen te wreken; hij wees er op, dat twee legaten waren gebleven, dat een groot deel van het leger was vernietigd; het was gemakkelijk om het legioen van Cicero in zijn winterkwartier plotseling te overweldigen en hen af te maken. Hij bood hun hiertoe zijn hulp aan. Het viel hem niet moeilijk, door deze voorstellingen de Nerviërs over te halen.
39. Zij zonden derhalve terstond boden naar hun onderdanen, de Ceutronen, Grudiërs, Levakers, Pleumoxiërs, Geidumners, brachten zooveel troepen mogelijk tezamen en vertoonden zich snel en onvoorziens voor Cicero's legerplaats, nog voor het gerucht van Titurius' dood tot hem was doorgedrongen. Ook hem overkwam, wat niet anders kon, dat namelijk eenige soldaten, die in het bosch gegaan waren om hout te halen voor de verschansingen, door de plotselinge komst der ruiters werden afgesneden. Hierop begonnen de Eburonen, Nerviërs, Aduatukers en al hun bondgenoten en onderdanen met een groote macht den aanval op het legioen. De onzen ijlden snel naar de wapenen en bezetten den wal. Met moeite hield met men het dien dag uit, omdat de vijanden hun gansche hoop op een spoedig succes stelden en, hadden zij hier de overwinning behaald, vast vertrouwden, voor altijd overwinnaars te zullen zijn.
40. Dadelijk zond Cicero bericht aan Caesar, terwijl hij den overbrengers groote belooningen in ´t vooruitzicht stelde voor de richtige bezorging. Alle wegen waren echter bezet, en zoo werden de boden opgevangen. In den nacht richtte men van het hout, dat tot verschansingen van de legerplaats was bijeenverzameld, met ongeloofelijke snelheid ongeveer honderd twintig torens op en voltooide, wat nog aan het versterkingswerk scheen te ontbreken. Den volgenden dag bestormde de vijand met met nog veel grootere strijdkrachten, die hij intusschen had bijeengebracht, opnieuw de legerplaats en trachtte de gracht dicht te werpen. De onzen boden op dezelfde wijze als den vorigen dag weerstend. En zoo ging het alle volgende dagen voort. Geen oogenblik van den nacht werd de arbeid gestaakt; noch zieken, noch gezonden vergunde men rust. Alle noodige maatregelen tegen den aanval van den volgenden dag werden 's nachts getroffen; een menigte aan de spits aangebrande palen en werpspiesen ter verdediging der muren in massa vervaardigd, de torens met planken belegd, tinnen en borstweringen van vlechtwerk gemaakt. Cicero zelf gunde zich, niettegenstaande zijn zwakke gezondheid, niet eens nachtrust, zoodat hij zelfs door de zich om hem heen dringende en smeekende soldaten gedwongen werd zich te sparen.
41. De aanvoerders en vorsten der Nerviërs, die meenden er eenige aanspraak op te hebben en in vriendschappelijke betrekking met Cicero stonden, toonden nu hun verlangen, een onderhoud met hem te hebben, dat hun werd toegestaan. Wat Ambiorix met Titurius had besproken, voerden ook zij aan: "Geheel Gallië was in de wapenen; de Germanen waren over den Rijn gegaan; de winterkwartieren van Caesar en zijn legaten werden bestormd. Buitendien deden zij nog mededelingen over den dood van Sabinus en beriepen zich op Ambiorix, om vertrouwen te wekken. "Het was, zoo zeiden zei, een dwaling, wanneer men van hen nog hulp verwachtte, die zelf alle hoop hadden opgegeven. Echter waren zij Cicero en het Romeinse volk geenszins slechtgezind; slechts de winterkwartieren lieten zij zich niet welgevallen; dat mocht geen ingewortelde gewoonte worden. Hunnentwege konden de Romeinen ongehinderd de winterkwartieren verlaten en onbevreesd afmarcheeren, waarheen zij wilden." Op dit alles antwoordde Cicero slechts dit alleen: dat het Romeinse volk zich van een gewapenden vijand geen voorwaarden placht te laten voorschrijven; wilden zij de wapenen nederleggen, dan konden zij van zijn bemiddeling gebruik maken en gezanten aan Caesar zenden; hij hoopte van Caesars rechtvaardigheid, dat zij hun verzoek ingewilligd zouden krijgen.
42. Daar de Nerviërs zich alzoo in hun verwachting bedrogen zagen, sloten zij ons winterkwartier met een wal van negen voet hoog en een gracht van 15 voet breed in. Dat hadden ze door hun verkeer met ons in de laatste jaren van ons afgezien; ook hadden zij eenige gevangenen van ons leger, die hen op de hoogte stelden. Echter moesten zij, uit gebrek aan de daartoe noodige ijzeren werktuigen, met hun zwaarden de graszoden uitsteken en den grond met hun handen en in hun mantels er uit halen. Uit dezen arbeid kon men tot hun groot aantal besluiten, want in minder dan drie uren hadden zij een versterkingslinie van vijftien mijlen in omtrek voltooid. De volgende dagen vingen zij aan, torens in verhouding tot de hoogte van onzen wal, muurhaken en schutdaken gereed te maken en te vervaardigen, eveneens volgens aanwijzing der gevangenen.
43. Op den zevenden dag der belegering stak er een geduchte storm op. De vijanden begonnen gloeiende kogels van klei en gloeiende werpspiesen op onze barakken te slingeren, die naar Gallische wijze met stroo gedekt waren. Deze vatten snel vuur en brachten het door den heftigen wind naar alle kanten van de legerplaats. Nu begonnen de vijanden, alsof de overwinning al behaald en beslist was, onder groot geschreeuw de torens en stormdagen in beweging te brengen en den wal met ladders te beklimmen. Maar hier bleek de buitengewone dapperheid en tegenwoordigheid van geest van onze soldaten. Ofschoon zij van alle kanten door de vlammen werden gezengd en door een hagelbui van werpspiesen overstelpt; ofschoon zij al hun bagage, hun ganschen rijkdom, zagen verbranden, liep niemand van den wal weg om zijn post te verlaten, zelfs zag er nauwelijks een om; maar allen vochten nu eerst recht met de grootste hardnekkigheid en dapperheid. Dit was voor de onzen verreweg de zwaarste dag; doch hij eindigde daarmee, dat een groote menigte vijanden werd gewond en gedood, daar zij zich dicht onder den wal hadden opeengedrongen en de achtersten aan hen, die in de eerste gelederen stonden, elken stap achterwaarts onmogelijk maakten. Toen de brand een weinig bedaard was en een toren ergens vlak tegen den wal was gebracht, trokken de centurio's der derde cohorte hun manschappen van hun standplaats terug en begonnen met wenken en toeroepen de vijanden uit te dagen, toch binnen te komen. Maar niemand waagde een stap voorwaarts te doen. Toen werden zij van alle kanten met steenen geworpen, van den toren verjaagd en deze in brand gestoken.
44. Er waren bij dat legioen twee dappere centurio's, die hun bevordering tot centurio's van den eersten rang in uitzicht hadden, Titus Pulio en Lucius Vorenus. Deze hadden voortdurend geschil met elkander over de vraag , wie van beiden de voorkeur verdiende en jaar in jaar uit wedijverden zij met de hoogste ijverzucht om hun bevordering. Toen nu allerhevigst bij de verschansingen werd gevochten, riep Pulio: "Wat aarzelt gij, Vorenus? op welke andere gelegenheid wacht gij nog, om uw dapperheid te toonen? deze dag zal onzen twist beslechten." Toen hij dit gezegd had, kwam hij buiten de verschansingen en stortte zich in het dichtst der vijanden. Nu bleef ook Vorenus niet langer binnen den wal, maar, het algemeene oordeel vreezende, volgde hij hem. Nu wierp Pulio op geringen afstand zijn speer op de vijanden en doorboorde er een, die uit den drom te voorschijn sprong. De vijanden dekken den getroffene en ontzielde met hun schilden, slingeren alle hun werpspiesen op Pulio en snijden hem den terugweg af. Zijn schild wordt doorboord en een werpspies blijft vastgehecht in den gordel. Door dit ongeval wordt de scheede verschoven en de hand belemmerd, waarmee hij het zwaard wil trekken; buiten staat zich te verdedigen omringen hem de vijanden. Daar snelt zijn vijand Vorenus toe en brengt hem hulp in zijn nood. De gansche schare wendt zich nu van Pulio af en richt zich tegen hem; Pulio, meenen zij, is door de werpspies doorboord. Vorenus stort zich nu met zwaard in de vuist op den vijand, stoot er een neer en drijft de anderen een weinig voor zich uit; terwijl hij wat te onstuimig voortdringt, geraakt hij op een hellende plek en valt. De vijanden omringen hem, maar nu komt Pulio hem te hulp, en beiden trekken zich ongedeerd, nadat zij verscheiden vijanden hebben gedood, met roem bedekt, binnen de verschansingen terug. Zoo heeft het lot in dezen rang- en wedstrijd met beiden zijn spel gedreven, zoodat de eene mededinger den anderen hulp en redding heeft gebracht, en het onmogelijk was te beslissen, wie van beiden in dapperheid den anderen overtrof.
45. Hoe drukkender en dreigender van dag tot dag de belegering werd, vooral daar een groot deel der soldaten door wonden buiten gevecht gesteld en de taak der verdediging daardoor aan slechts weinigen ten deel gevallen was, des te meer brieven en boden werden naar Caesar gezonden. Een deel der boden werden echter opgevangen en voor de oogen onzer soldaten doodgemarteld. In de legerplaats bevond zich een Nerviër van voorname afkomst, Vertico geheeten, die sedert het begin der insluiting tot Cicero was overgeloopen en zijn vertrouwbaarheid aan dezen bewezen had. Deze haalde zijn slaaf, door hem uitzich op vrijheid te geven en door groote beloningen, over, een brief aan Caesar te bezorgen. De slaaf nam den brief in een werpspies gebonden, mede, ging als Galliër, zonder argwaan te wekken, door het Gallische land en kwam bij Caesar, die door hem bekend werd met de gevaren, waarin Cicero en zijn legioen verkeerden.
46. Caesar ontving den brief omtrent het elfde uur van den dag; dadelijk zond hij een bode tot den quaestor Marcus Crassus in het gebied der Bellovaken, wiens winterkwartier 25 mijlen van hem verwijderd was, met het bevel te middernacht met zijn legioen op te breken en onverwijld zich tot hem te begeven. Gelijktijdig met de aankomst van den bode breekt Crassus op. Een andere bode wordt aan den legaat Gajus Fabius gezonden, met het bevel, zijn legioen in het land der Atrebaten te brengen, door wier gebied Caesar zelf zijn weg moest nemen. Aan Labienus schrijft Caesar, met zijn legioen naar de grenzen der Nerviërs op te rukken, indien hij dat zonder nadeel doen kon. Het overige deel des legers meende Caesar, omdat het te ver af was, niet te moeten afwachten; ongeveer vierhonderd ruiters bracht hij uit de naastbij gelegen winterkwartieren bijeen.
47. Omtrent de derde ure werd Caesar door kwartiermakers van Crassus’ nadering onderricht. Terstond brak hij op en legde dien dag een marsch van twintig mijlen af. Crassus gaf hij het bevel over Samarobriva en voegde hem een legioen toe, omdat hij daar den tros des legers, de gijzelaars der staten, het archief en al het koorn, dat hij daar tot onderhoud voor den winter had opgehoopt, achterliet. Fabius had niet bijzonder lang gedraald en ontmoette hem, overeenkomstig het bevel, met zijn legioen op den marsch. Labienus had intusschen den ondergang van Sabinus en de nederlaag der cohorten vernomen, daar de gansche strijdmacht der Trevirers voor zijne legerplaats was verschenen. Hij vreesde daarom, indien hij schijnbaar vluchtend uit zijne winterkwartieren opbrak, den aanval der vijanden niet te kunnen uithouden, vooral daar hij hun overmoed wegens de jongste overwinning kende, en schreef derhalve aan Caesar terug, hoe gevaarlijk het was, als hij met zijn legioen de winterkwartieren wilde verlaten. Tevens deelde hij nauwkeuriger berichten mede over de gebeurtenis in het land der Eburonen, en onderrichtte hem, dat de geheele strijdmacht der Trevirers te paard en te voet op slechts drie mijlen afstand van zijn legerplaats stelling had genomen.
48. Caesar keurde zijn besluit goed, en ofschoon hij zich in zijne verwachtingen bedrogen en zich van drie tot twee legioenen beperkt zag, hield hij toch snel handelen voor het eenige middel om allen te redden. Hij kwam alzoo met ijlmarschen in het land der Nerviërs. Daar vernam hij van gevangenen wat voor Cicero’s legerplaats voorviel en den hachelijken toestand aldaar. Toen overreedde hij een Gallisch ruiter door groote belooningen, een brief aan Cicero over te brengen, welken hij in ‘t Grieksch had geschreven , opdat onze plannen, werd de brief onderschept, niet aan den vijand werden verraden. De Galliër kreeg order, om, als hij niet te bestemder plaatse kon komen, den brief aan den riem van een speer te binden en deze in de legerplaats te werpen. In den brief schreef Caesar, dat hij met de legioenen was opgebroken en spoedig bij hem zou zijn; hij vermaande hem, zich dapper te houden als altoos. De Galliër, die het gevaar vreesde, wierp de speer, volgens het bevel. Toevallig bleef zij in een toren steken; twee dagen lang werd zij door de onzen niet opgemerkt en eerst op den derden dag door een soldaat gezien, die haar er uit trok en aan Cicero bracht. Hij las den brief door, maakte den inhoud aan de verzamelde soldaten bekend en vervulde hen allen met de grootste vreugde. Spoedig zag men ook in de verte de rookzuilen der in brand gestoken hoeven, hetgeen allen twijfel aan het naderen der legioenen verbande.
49. Toen de Galliërs de tijding hiervan door kondschappers vernamen, braken zij het beleg op en trokken met hun gansche macht Caesar te gemoet. Zij waren ongeveer 60.000 gewapenden sterk. Cicero gebruikte de gelegenheid en verzocht weder denzelfden Vertico, van wien wij boven gewag maakten, hem een Galliër te geven, om een brief aan Caesar over te brengen. Hij vermaande den Galliër, behoedzaam en omzichtig op den weg te zijn. In den brief schreef hij uitvoerig, dat de vijand was opgebroken en zich met zijn gansche macht tegen Caesar had gekeerd. Bij het ontvangen van dezen brief ongeveer te middernacht, deelde Caesar het bericht terstond aan de zijnen mede en sprak hun moed in voor den strijd. Den volgenden dag bij het aanbreken van den dageraad brak hij zijn legerplaats op en zag, na een marsch van ongeveer vier mijlen, aan gene zijde van een dal en van een beek de vijandelijke hoofdmacht. Het zou een groot waagstuk zijn geweest, met een zoo gering aantal troepen in een ongunstige stelling den strijd te beginnen; omdat hij buitendien wist, dat Cicero uit de omknelling bevrijd was, meende hij met een kalm gemoed van snel handelen te mogen afzien. Hij maakte nu halt en sloeg op een zoo gunstig mogelijk terrein de legerplaats op. En ofschoon deze legerplaats op zichzelf al een geringen omvang had, - voornamelijk daar de nauwelijks 7000 man, voor wie zij bestemd was, geen trein met zich meevoerden - maakte Caesar haar echter door den smallen aanleg der straten zoo klein als hij maar kon, met de bedoeling, den vijanden een hoogst geringen dunk van zijn leger te geven. Ondertusschen zond hij naar alle kanten verspieders uit, om den besten weg door het dal uit te vorschen.
50. Op dien dag vielen slechts eenige onbeduidende ruitergevechten voor bij de beek. Beide legers bleven in hun stelling: de Galliërs, omdat zij grootere strijdkrachten afwachtten, die nog niet waren aangekomen; Caesar, om zoo mogelijk door voorgewende vrees de vijanden aan zijn kant te lokken en aan deze zijde van het dal voor de legerplaats met hen slaags te raken, of om, gelukte dat niet, na de wegen te hebben verkend, met het minst mogelijke gevaar door het dal en over de beek te trekken. Met het krieken van den dag kwam de vijandelijke ruiterij nabij onze legerplaats en begon een gevecht met onze ruiters. Caesar let met opzet zijn ruiters wijken en hen in de legerplaats terugtrekken; te gelijker tijd echter gaf hij bevel, den wal om de legerplaats aan alle zijden hooger op te trekken, de poorten te versperren en bij het verrichten van dezen arbeid met de meeste bedrijvigheid heen en weer te loopen en schijnbaar grooten angst te toonen.
51. Door dit alles liet de vijand zich verlokken, met zijn leger over de beek te gaan en zich op een voor hem ongunstig terrein in slagorde te stellen. Toen wij echter onze posten ook van den wal hadden teruggetrokken, kwamen zij nog dichter bij, wierpen van alle kanten de speren over de verschansingen en lieten rondom door herauten bekend maken, dat indien iemand, hetzij Galliër, hetzij Romein, vóór de derde ure tot hen wilde overgaan, hij dat zonder gevaar kon doen; na dien tijd stond het niet meer vrij. En zoo weinig vrees hadden zij voor ons, dat zij, daar de poorten met enkele rijen graszoden in schijn waren versperd en zij geloofden door die poorten niet te kunnen binnendringen, begonnen de palissadeering met de handen uit te rukken en de grachten te dempen. Maar nu deed Caesar een uitval uit alle poorten, zond de ruiterij er op los en joeg de vijanden spoedig op de vlucht, zóó, dat ook niet een enkele met de bedoeling om te vechten stilstond, hieuw een groot aantal neder en noodzaakte allen de wapens weg te werpen.
52. Hen verder te vervolgen achtte Caesar bedenkelijk wegens de vele bosschen en moerassen en omdat hij zag, dat hier geen gelegenheid bestond, hun ook slechts het geringste nadeel toe te brengen. Hij kwam nog op denzelfden dag in Cicero’s legerplaats, zonder één man verloren te hebben. De opgerichte torens, schutdaken en schansen van den vijand wekten zijn bewondering op. Hij liet het legioen aantreden en bevond, dat niet de tiende man ongewond was gebleven. Uit dit alles bleek hem, hoe groot het gevaar was geweest en met welk een moed de manschappen hun plicht hadden vervuld. Cicero en zijn legioen in ’t algemeen prees hij daarom naar verdienste; de centurio’s en krijgstribunen, die naar Cicero´s getuigenis, een uitstekende dapperheid hadden betoond, vermeldde hij één voor één. Van het ongeluk van Sabinus en Cotta vernam hij door de gevangenen nauwkeuriger berichten. Den dag daarop verhaalde Caesar het voorgevallene aan de verzamelde troepen, troostte hen en sprak hun moed in. De ramp, waardoor men ten gevolge van de schuld en de onbezonnenheid van den legaat was getroffen, moest men, zoo onderrichtte hij hen, daarom te gelatener dragen, omdat door de genade der onsterfelijke Goden en hun eigen dapperheid de schande gewroken en den vijanden zoo min een grond, zich lang over die overwinning te verheugen, als hun zelven een reden, om er langer smart over te gevoelen, gebleven was.
53. Ondertusschen drong de tijding van Caesars overwinning met ongeloofelijke snelheid door de Remers door tot Labienus. Hij stond op ongeveer zestig mijlen van Cicero’s winterkwartieren, en Caesar was daar eerst na de negende ure van den dag aangekomen. En toch klonk nog vóór middernacht bij de poorten van Labienus’ legerplaats een geschreeuw, door de Remers aangeheven, die hem aldus de overwinning verkondigden en hem er mede gelukwenschten. Toen het bericht hiervan ook tot de Trevirers gekomen was, nam Indutiomarus, die reeds den volgenden dag Labienus’ legerplaats wilde aangrijpen, in den nacht ijlings den terugtocht aan en voerde zijn gansche strijdmacht naar het land der Trevirers terug.
Caesar zond Fabius met zijn legioen naar hun winterkwartier terug; hijzelf besloot met drie legioenen drie winterkwartieren bij Samarobriva te betrekken en, uit hoofde der groote beweging in geheel Gallië, in eigen persoon den geheelen winter bij het leger te blijven. Want op het bekend worden van de ramp van Sabinus’ dood dachten bijna alle Gallische staten aan een nieuwen oorlog, zonden boden en gezantschappen naar alle kanten, vorschten uit, wat de anderen besloten hadden, waar het eerst de vijandelijkheden zouden uitbreken, en hielden nachtelijke samenkomsten op afgelegen plaatsen.
Geen dag ging er bijna in den geheelen winter voorbij, zonder dat Caesar in zorg verkeerde, zonder dat hij ‘t een of ander bericht van plannen en bewegingen der Galliërs ontving. Onder anderen berichtte de quaestor Lucius Roscius, die het bevel voerde over het dertiende legioen, hem, dat aanzienlijke strijdkrachten der Galliërs uit de Aremorische staten zich hadden verzameld, om hem aan te grijpen; dat die niet verder dan acht mijlen van zijn winterkwartieren verwijderd waren; dat zij echter, op het bericht van Caesar’s overwinning uiteen waren gegaan, op een wijze, dat hun aftocht een vlucht geleek.
54. Maar toch hield Caesar, door de vorsten uit alle staten bij zich te ontbieden en hun deels vrees aan te jagen door de verzekering, dat hij wist wat er voorviel, deels hen door vriendelijke toespraak tot kalmte te brengen, een groot deel van Gallië in toom. Uitgezonderd de Senonen, een bovenal machtig en invloedrijk volk onder de Galliërs. Zij gingen om met het plan, om overeenkomstig een staatsbesluit Cavarinus, dien Caesar tot hun koning had aangesteld, wiens broeder Moritasgus bij Caesars komst in Gallië, evenals zijn voorvaderen vroeger, over hen had geregeerd, te dooden. Maar Cavarinus had hun bedoelingen ontdekt en was ontvlucht. Zij vervolgden hem tot de grenzen, verdreven hem van den troon en uit zijn land en zonden daarop gezanten naar Caesar, om zich te rechtvaardigen. Toen nu Caesar beval, dat hun gansche senaat tot hem zou komen, weigerden zij te gehoorzamen. Zulk een grooten indruk had het op de barbaren gemaakt, dat er werkelijk eenigen waren gevonden, die het eerst de wapenen tegen Rome hadden opgeheven, en zulk een ommekeer had dat in de stemming van allen teweeggebracht, dat buiten de Haeduërs en de Remers, die Caesar steeds in hooge eer had gehouden, - de eersten om hun oude en bestendige trouw aan het Romeinsche volk, de laatsten om hun nog onlangs in den Gallischen oorlog bewezen goede diensten, - bijna geen enkele staat voor vertrouwbaar bij ons gold. Ik weet echter ook niet, of men zich hierover wel zeer mag verwonderen, en dat zoowel om verschillende andere redenen als het meest hierom, dat het den Galliërs, die tot dusver in oorlogstalenten boven alle volken werden gesteld, uiterst smartelijk aandeed, zooveel van hun roem te hebben verloren, dat zij zich door het Romeinsche volk bevelen moesten laten voorschrijven.
55. De Trevirers en Indutiomarus zonden den ganschen winter door gezanten op gezanten over den Rijn, ruiden de volken daar op, beloofden hun geldsommen en verzekerden hun, dat een groot deel van het Romeinsche leger was vernietigd en verreweg het kleinste deel slechts over was. Niettemin liet zich geen enkel Germaansch volk overreden, over den Rijn te gaan. Tweemaal, zoo antwoordden zij telkens, hadden zij het beproefd: in den oorlog van Ariovistus en bij den Rijnovergang der Teukteren; zij wilden het geluk niet verder op de proef stellen. Schoon in zijn verwachting teleurgesteld, trok Indutiomarus niettemin troepen samen, oefende ze, kocht paarden bij de naburen op en begon door hooge beloningen de vluchtelingen en veroordeelden uit Gallië tot zich te lokken. En zulk een groot aanzien had hij zich reeds hierdoor in Gallië verworven, dat van alle kanten gezantschappen tot hem kwamen en deels voor zich persoonlijk, deels in naam hunner staten, zijn gunst en vriendschap zochten te verwerven.
56. Toen Indutiomarus bemerkte, dat men uit eigen beweging tot hem kwam; dat eenerzijds de Senonen en de Carnuten door hun kwaad geweten werden aangedreven, anderzijds de Nerviërs en de Aduatuken zich tot den oorlog tegen de Romeinen toerustten, en het hem aan vrijwilligers niet ontbreken zou, zoodra hij de grenzen van zijn gebied had overschreden, riep hij een gewapenden landdag bijeen. Dat is naar Gallisch gebruik het begin van den oorlog. Volgens een algemeen geldige wet moeten dan alle volwassenen gewapend daarbij verschijnen; wie het laatst komt, wordt voor de oogen van het vergaderde volk onder alle pijnigingen doodgemarteld. In die vergadering liet Indutiomarus Cingetorix, zijn schoonzoon, het hoofd der tegenpartij, die, zooals boven gezegd is, zich bij Caesar had aangesloten en hem trouw bleef, voor een vijand van den staat en zijn goederen verbeurd verklaren. Nadat dit was afgehandeld, maakte hij in de vergadering bekend, dat hij door de Senonen, Carnuten en verscheidene andere volksstammen van Gallië was te hulp geroepen; hij zou daaraan gehoor geven, door het land der Remers gaan en dit land verwoesten, doch eerst nog de legerplaats van Labienus aangrijpen. Hiertoe gaf hij de noodige bevelen.
57. Daar Labienus zijn door natuur en kunst buitengewoon versterkte legerplaats niet verliet, vreesde hij geen gevaar voor zich en voor zijn legioen. Hij dacht er dus veel meer aan, geen gelegenheid te laten voorbijgaan, om zijn slag te slaan. Zoodra hij derhalve van Cingetorix en diens volgelingen bericht had ontvangen van Indutiomarus’ rede in de volksvergadering, zond hij boden naar de nabuurstaten en ontbood overal vandaan ruiterij op een bepaalden dag tot zich. Middelerwijl zwierf Indutiomarus haast dagelijks met zijn gansche ruiterij om de legerplaats rond, deels om haar ligging te verkennen, deels om met ons te spreken, of ons vrees aan te jagen. Al zijn ruiters slingerden daarbij gewoonlijk hun werpspiesen over den wal; maar Labienus liet zijn troepen binnen de legerplaats blijven en trachtte de vijanden op alle mogelijke wijzen te versterken in de meening, dat hij bang was.
58. Toen nu Indutiomarus van dag tot dag met stijgenden overmoed dichter bij de legerplaats kwam, liet Labienus de ruiters, die hij uit alle nabuurstaten had doen oproepen, in één nacht het legerkamp binnenrukken en hield dan al zijn manschappen door uitgezette wachtposten met zoo groote zorgvuldigheid binnen de legerplaats, dat niets ervan den Trevirers kon verraden of overgebracht worden. Ondertusschen kwam Indutiomarus volgens zijn dagelijksche gewoonte weer dicht bij het legerkamp en bracht daar het grootste deel van den dag door. Zijn ruiters wierpen hun werpspiesen en daagden de onzen, hen luide hoonende, uit tot den strijd. Toen zij geen antwoord van dezen ontvingen, trokken zij, tegen den avond, toen het hun geschikt voorkwam, verstrooid en zonder eenige orde af. Terstond liet Labienus zijn geheele ruiterij uit twee poorten een uitval doen, met het uitdrukkelijke bevel om, als de vijanden waren verjaagd en op de vlucht gedreven, wat hij vooruit zag, dat gebeuren zou, zooals ook werkelijk geschiedde, zich dan allen op Indutiomarus alleen te werpen en niemand te verwonden, voordat men hem gevallen zag. Want Labienus wilde Indutiomarus, doordat zij zich met anderen ophielden, geen gelegenheid verschaffen te ontvluchten; op zijn hoofd stelde hij een grooten prijs. Ter ondersteuning der ruiterij werden de cohorten nagezonden. Het geluk begunstigde het plan van den legaat, en terwijl allen zich op Indutiomarus wierpen, werd hij juist op een ondiepe plaats der rivier ingehaald, neergehouwen en zijn hoofd in het legerkamp gebracht. Op hun terugtocht vervolgden en doodden onze ruiters, wie zij maar konden. Op het bericht van deze gebeurtenissen gingen de strijdkrachten der Eburonen en Nerviërs, die zich hadden verzameld, uit elkander, en Caesar had na dit vooral meer rust in Gallië.

More about celts >>onownrisk


©2010 | Atuatuca | Si non è vero, è ben trovato!